ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0567

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
27 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/6441
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming in vreemdelingenrechtelijke context

In deze zaak heeft de Rechtbank 's-Gravenhage op 27 februari 2007 uitspraak gedaan in een beroep tegen de voortzetting van de bewaring van eiser, die op 12 februari 2007 was ingediend. Eiser, vertegenwoordigd door zijn advocaat mr. D.H. van den Elzen, betoogde dat er geen zicht op uitzetting naar China bestond binnen een redelijke termijn. De rechtbank overwoog dat de verweerder, de Staatssecretaris van Justitie, onvoldoende informatie had verstrekt over de afgifte van laissez-passers door de Chinese autoriteiten. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken en de cijfers die door verweerder waren gepresenteerd, waaruit bleek dat in 2006 slechts in 37 van de 1304 aanvragen een laissez-passer was afgegeven. Dit leidde de rechtbank tot de conclusie dat, gezien de duur van de bewaring van ruim vijf maanden, er geen zicht op uitzetting was. De rechtbank verklaarde het beroep van eiser gegrond en beval de onmiddellijke opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 644,-. De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat er geen gronden voor aanwezig werden geacht. De uitspraak werd gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, en mr. M. Hasanian, griffier, en werd openbaar uitgesproken op dezelfde datum.

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Dordrecht
Sector Bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
procedurenummer: AWB 07/6441
uitspraak van de enkelvoudige kamer
inzake
[eiser], eiser,
gemachtigde: mr. D.H. van den Elzen, advocaat te Rotterdam,
tegen
de Staatssecretaris van Justitie te ’s-Gravenhage (voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie), verweerder,
gemachtigde: mw. mr. H. Hanssen-Telman, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. Op 12 februari 2007 heeft eiser op grond van artikel 96 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een beroepschrift ingediend tegen het voortduren van de bewaring van eiser nadat deze rechtbank, zitting houdende te Dordrecht, het beroep tegen het voortduren van de bewaring laatstelijk bij uitspraak van 9 februari 2007 ongegrond heeft verklaard.
1.2. De zaak is op 23 februari 2007 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.
Eiser is ter zitting verschenen bij gemachtigde.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1. De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring als zodanig reeds is beslist. Derhalve staat thans ter beoordeling of verdere voortzetting van de maatregel van bewaring in strijd is met de wet dan wel, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.
2.2. De rechtbank acht het beroep gegrond en komt daartoe op grond van de navolgende overwegingen.
Eiser heeft gesteld dat de aan hem opgelegde bewaringsmaatregel dient te worden opgeheven, nu hij niet binnen een redelijke termijn zal kunnen worden uitgezet. Daartoe verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 16 februari 2007 (AWB 07/6441), waarbij, met verwijzing naar de naar aanleiding van de vragen van de rechtbank door verweerder verzonden brief van 1 februari 2007, werd overwogen dat verweerder in die zaak, gelet op de in voormelde brief gepresenteerde cijfers over het aantal in het jaar 2006 door de Chinese autoriteiten afgegeven laissez-passers, onvoldoende aannemelijk had gemakt dat sprake was van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
In de hierboven reeds vermelde brief, waarover de rechtbank ambtshalve beschikt en ten aanzien van de inhoud waarvan de gemachtigde van verweerder desgevraagd ter zitting heeft aangegeven dat die ook in het onderhavige geval van toepassing is, staat – kort samengevat - dat van de 1304 in 2006 gedane aanvragen om afgifte van een vervangend reisdocument bij de Chinese autoriteiten, in 37 gevallen door deze autoriteiten een laissez-passertoezegging is gedaan. In 113 gevallen is aangegeven dat op basis van de verstrekte gegevens geen vervangend reisdocument zal worden afgegeven. Hieruit trekt verweerder de conclusie dat niet op voorhand is uit te sluiten dat een presentatie tot afgifte van een laissez-passer zal leiden. Verweerder benadrukt dat indien de vreemdeling volledige en juiste persoonsgegevens verstrekt, dit in beginsel zal leiden tot afgifte van een vervangend reisdocument.
Gelet op de gepresenteerde cijfers in voornoemde brief, met name de daling van het aantal afgegeven laissez-passers in 2006 ten opzichte van het jaar daarvoor, alsmede gelet op het ontbreken van nadere informatie zijdens verweerder met betrekking tot de specifieke kenmerken van de 37 gevallen waarin in 2006 wel een laissez-passer is aangegeven, en onder verwijzing naar de hierboven aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, is de rechtbank van oordeel dat, gezien de gevorderde duur van de onderhavige bewaringsmaatregel, thans ruim vijf maanden, geen zicht op uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn bestaat. De rechtbank betrekt bij dit oordeel de omstandigheid dat eiser de voor het indienen van de laissez-passeraanvraag benodigde gegevens heeft verstrekt, nu deze naar de Chinese autoriteiten is doorgezonden. Hieraan doet niet af de omstandigheid dat eiser in eerste instantie zijn volledige medewerking heeft geweigerd.
Gelet op het vorenstaande dient het beroep van eiser gegrond te worden verklaard en de bewaring dient te worden opgeheven.
De rechtbank acht geen gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen.
2.3. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1).
De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat aan eiser ter zake van dit geschil een toevoeging is verleend, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.
2.4. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.
3. Beslissing
De rechtbank 's-Gravenhage:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten die de eiser in verband met de behandeling van
dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,- ten
bedrage van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die voormelde kosten aan de griffier
dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. A.P. Hameete, rechter, en door deze en mr. M. Hasanian, griffier, ondertekend.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op: 27 februari 2007
Afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.