ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0549
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- M.G.L. de Vette
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring EU-burger wegens onvoldoende motivering
Verzoeker, een Zweedse EU-burger, werd door verweerder ongewenst verklaard op grond van zijn strafrechtelijke antecedenten en detentie. Verzoeker betwistte dat zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de samenleving en stelde dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het evenredigheidsbeginsel en individuele omstandigheden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder niet heeft aangegeven op welk onderdeel van artikel 67, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 het besluit was gebaseerd en dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was. Tevens ontbrak een afweging van relevante persoonlijke omstandigheden zoals verblijfduur, leeftijd, gezondheid, en integratie.
De rechtbank concludeerde dat het besluit niet kennelijk rechtmatig was en dat de rechtsgevolgen van het besluit moesten worden opgeschort totdat op bezwaar was beslist. Verzoeker kreeg tevens proceskostenvergoeding en terugbetaling van griffierecht.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige individuele belangenafweging en motivering bij het nemen van besluiten tot ongewenstverklaring van EU-burgers, in lijn met het evenredigheidsbeginsel en EU-recht.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring worden opgeschort.