ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9714
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling juiste ingangsdatum verblijfsvergunning Iraakse vreemdeling
Eiser, een Iraakse vreemdeling, diende op 19 december 2002 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel medische behandeling. Verweerder wees deze aanvraag aanvankelijk af, maar verklaarde het bezwaar van eiser gegrond en verleende de vergunning met ingang van 28 september 2005. Eiser stelde zich op het standpunt dat hij reeds vanaf 20 maart 2003, drie maanden na zijn aanvraag, vrijgesteld was van het paspoortvereiste en dat de ingangsdatum van de vergunning onjuist was vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat op grond van beleidsregels (TBV 2003/12 en verlengingen) Iraakse vreemdelingen tussen 20 maart 2003 en 31 december 2004 vrijgesteld waren van het paspoortvereiste bij aanvragen voor verblijfsvergunningen. Deze vrijstelling gold ook ten tijde van het bestreden besluit. Verweerder kon daarom het paspoortvereiste niet alsnog tegenwerpen in bezwaar. De rechtbank stelde vast dat verweerder het besluit onvoldoende gemotiveerd had en dat het bestreden besluit in strijd was met artikel 7:12 Awb Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en beval verweerder binnen zes weken opnieuw te beslissen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van €644 en werd de Staat der Nederlanden aangewezen voor vergoeding van het griffierecht van €138.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit over de ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.