ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9596
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WW-uitkeringsbesluit inzake toepassing Besluit nadere regeling eindiging WW
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de hoogte van haar WW-uitkering en betwist daarbij de vaststelling van haar dagloon en de toepassing van het Besluit nadere regeling eindiging WW. De rechtbank stelt vast dat het dagloon geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit en daarom niet in dit beroep kan worden betrokken.
De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte een brief van eiseres als verzoek om terug te komen op een besluit heeft aangemerkt, terwijl dit een beroepschrift betrof dat aan de rechtbank had moeten worden voorgelegd. Hierdoor was verweerder niet bevoegd een primaire beslissing te nemen, wat leidt tot vernietiging van het besluit van 19 mei 2006 en herroeping van het besluit van 20 april 2006.
Inhoudelijk is de rechtbank van oordeel dat verweerder het Besluit nadere regeling eindiging WW correct heeft toegepast. De volgorde van beëindiging van uitkeringsrechten is conform artikel 4, eerste lid, vastgesteld en leidt niet tot een kennelijk onjuiste uitkomst. De verschillende dienstbetrekkingen van eiseres verschillen alleen in aantal gewerkte uren, wat geen aanleiding geeft tot afwijking van de hoofdregel.
De rechtbank veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht aan eiseres wordt vergoed. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 19 mei 2006 wordt gegrond verklaard, dit besluit wordt vernietigd en het primaire besluit van 20 april 2006 wordt herroepen, terwijl het beroep van 11 april 2006 ongegrond wordt verklaard.