ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9184
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.C. Punt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geldigheid uiterste wilsbeschikking en erfgenaamschap na beëindiging samenwoning
Na het overlijden van erflater ontstond een geschil over de vraag wie zijn erfgenamen zijn: eiseres, de voormalige samenwonende partner, of de familie van erflater, gedaagde 1 c.s. Erflater had in 1988 een uiterste wilsbeschikking opgesteld waarin eiseres als enige erfgename werd benoemd, met verwijzing naar hun gezamenlijke huishouding sinds 1986.
Eiseres vorderde dat de uiterste wilsbeschikking werking zou behouden en zij als enig erfgename zou worden erkend. Gedaagde 1 c.s. betwistten dit en stelden dat de situatie na de beëindiging van de gezamenlijke huishouding en de echtscheiding in 1997 was gewijzigd, zodat de uiterste wil geen effect meer heeft.
De rechtbank paste artikel 4:46 BW Pro toe voor de uitleg van de uiterste wilsbeschikking en concludeerde dat de benoeming van eiseres alleen gold zolang zij met erflater een gezamenlijke huishouding voerde. Aangezien deze situatie al jaren voor het overlijden niet meer bestond, kon eiseres zich niet op de uiterste wil beroepen. Ook een analoge toepassing van artikel 4:52 BW Pro leidde tot dezelfde conclusie. De vordering van eiseres werd afgewezen en de verklaring van erfrecht waarin de familie als erfgenamen werd aangemerkt, werd bevestigd.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van eiseres af en bevestigt dat de familie van erflater de erfgenamen zijn.