ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ8693
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verblijfsvergunning wegens onjuiste geldigheidsduur en gebrekkige belangenafweging
Eiser, van Somalische nationaliteit, verzocht op 19 januari 2001 om verlenging van zijn voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv). De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen, waarna meerdere beroepsprocedures volgden. De rechtbank stelde vast dat eiser op 3 februari 2001 aan de voorwaarden voldeed voor verlenging van zijn verblijfsvergunning op basis van het toen geldende vvtv-beleid, dat op 24 september 2001 werd afgeschaft.
De kern van het geschil betrof de geldigheidsduur van de vergunning. Verweerder verleende uiteindelijk een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met ingang van 30 juni 2005 tot 30 juni 2008. Eiser betoogde dat de vergunning met ingang van 3 februari 2001 had moeten ingaan en dat hij aanspraak maakte op een vergunning voor onbepaalde tijd per 3 februari 2002.
De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was een vergunning voor een kortere periode dan één jaar te verlenen, maar daartoe niet verplicht was en dat een afzonderlijke belangenafweging vereist was, die niet was gemaakt. Ook de intrekking van de vergunning per 24 september 2001 vereiste een belangenafweging. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor wat betreft de termijn en beval verweerder binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €644. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 44, tweede lid, Vw 2000 en ontbrekende belangenafweging, met opdracht tot een nieuw besluit binnen zes weken.