ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ7847
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting bewaring en zicht op uitzetting Iraakse vreemdeling
Eiser, een Iraakse vreemdeling die op grond van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring is gesteld, stelde beroep in tegen de voortzetting van zijn vrijheidsontneming en verzocht om schadevergoeding. Hij beriep zich onder meer op de motie De Wit, die uitzetting van asielzoekers uit Centraal- en Zuid-Irak tijdelijk zou opschorten, en op het feit dat hij zich niet vrijwillig aan uitzetting wilde onderwerpen.
De rechtbank overwoog dat hoewel eiser ongewenst is verklaard en zich tegen uitzetting verzet, dit verzet voor zijn eigen rekening en risico komt. De toezegging uit de motie De Wit geldt ook voor hem, waardoor voorlopig geen uitzetting zal plaatsvinden in afwachting van een kabinetsreactie. Verweerder handelt volgens de rechtbank voldoende voortvarend door geen nieuwe vlucht aan te vragen zolang eiser zich verzet.
Verder oordeelde de rechtbank dat de belangenafweging, waarbij na zes maanden het belang van de vreemdeling in vrijheid zwaarder weegt, in dit geval door bijzondere omstandigheden (frustratie onderzoek identiteit en ongewenstverklaring) ten gunste van verweerder uitvalt. Klachten over het regime op de detentieboot zijn niet relevant voor de beoordeling van de voortzetting van de bewaring.
De rechtbank concludeerde dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt, de voortzetting van de bewaring niet onredelijk is en dat er geen grond is voor schadevergoeding. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.