ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ4516

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
15 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
Awb 06/18473
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 AwbArt. 8:1 AwbArt. 85 Vw 2000
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar medische behandeling vreemdeling

Eiser diende op 1 oktober 2002 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking medische behandeling. Verweerder wees deze aanvraag op 31 oktober 2002 af, waarop eiser bezwaar maakte. Verweerder verklaarde het bezwaar op 11 juli 2003 ongegrond. Dit werd door de rechtbank op 17 januari 2006 in het voordeel van eiser herzien. Verweerder besloot opnieuw op het bezwaar op 20 maart 2006 en verklaarde het wederom ongegrond. Eiser stelde hiertegen beroep in.

Tijdens de procedure bleek dat verweerder niet tijdig had beslist op het bezwaar, wat volgens artikel 6:2 Awb Pro gelijkgesteld wordt aan een besluit waartegen beroep mogelijk is. Verweerder trok het bestreden besluit van 20 maart 2006 later in, maar had nog steeds niet op het bezwaar van 31 oktober 2002 beslist. Verweerder verzocht om een termijn van twaalf weken voor het nemen van een nieuw besluit, mede vanwege de benodigde tijd voor een BMA-advies.

De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond is wegens overschrijding van de beslistermijn en bepaalde dat verweerder binnen vier weken na ontvangst van het BMA-advies, doch uiterlijk binnen twaalf weken na verzending van de uitspraak, een beslissing op het bezwaar moet nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens niet tijdig beslissen en verweerder krijgt een nieuwe termijn voor besluitvorming opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Sector Bestuursrecht
vreemdelingenkamer
nevenzittingsplaats Almelo
regnr.: Awb 06/18473 BEPTDN/BE
uitspraak van de enkelvoudige kamer
inzake
[eiser] alias [eiser],
gestelde geboortedata [geboortedatum] 1963 respectievelijk [geboortedatum] 1974,
van gestelde Nigeriaanse respectievelijk Malawische nationaliteit,
IND dossiernummer 9511.02.8012,
eiser,
gemachtigde: mr. N.B. Swart, advocaat te Groningen;
tegen
DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE
(Immigratie- en Naturalisatiedienst),
te 's-Gravenhage,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. C. Georgescu , ambtenaar ten departemente.
1. Procesverloop
Op 1 oktober 2002 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ ingediend. Bij besluit van 31 oktober 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij brief van 31 oktober 2002 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 11 juli 2003 ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 17 januari 2006 gegrond verklaard.
Bij besluit van 20 maart 2006 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar van eiser van 31 oktober 2002 beslist en dit bezwaar wederom ongegrond verklaard. Bij brief van 13 april 2006 is daartegen beroep ingesteld. Dit beroep is aangevuld bij brief van 16 mei 2006.
Bij brief van 25 juli 2006 heeft verweerder het bestreden besluit van 20 maart 2006 ingetrokken. Bij brief van 6 september 2006 heeft eiser de rechtbank verzocht zijn beroep tegen de beslissing van verweerder van 20 maart 2006 te wijzigen in een beroep tegen het niet tijdig beslissen op het door hem op 31 oktober 2002 ingestelde bezwaar.
Het beroep is ter zitting van 18 september 2006 behandeld. Eiser noch zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
2. Toetsingskader
In deze procedure dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.
3. Overwegingen
Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld, zodat daartegen op grond van artikel 8:1 Awb Pro beroep kan worden ingesteld.
Op grond van artikel 7:10, eerste lid, Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of
– indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb Pro is ingesteld – binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Op grond van het derde lid van artikel 7:10 Awb Pro kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen en wordt van die verdaging schriftelijk mededeling gedaan.
Op grond van het vierde lid van dit artikel - voor zover hier van belang - is verder uitstel mogelijk voor zover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt.
De termijn waarbinnen verweerder op het bezwaar had moeten beslissen was ten tijde van het instellen van het beroep tegen dit niet tijdig beslissen verstreken en het beroep is niet onredelijk laat ingediend.
Ter zitting blijkt dat verweerder met eiser van mening is dat, nu het bestreden besluit is ingetrokken zonder dat daarbij opnieuw op eisers bezwaar van 31 oktober 2002 is beslist, in dit geval sprake is van overschrijding van de beslistermijn. Verweerder heeft ter zitting tevens gemotiveerd verzocht om een zodanige termijn te stellen voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar dat de uitspraak ook uitvoerbaar is voor verweerder. Daarbij heeft hij verwezen naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 december 2004 (JV 2005, 58), 3 februari 2005 (JV 2005, 131), 27 maart 2006 (JV 2006, 214) en 17 mei 2006 (JV 2006, 255). Dit heeft verweerder nader verklaard door aan te geven dat voor een nieuw te nemen besluit op eisers bezwaar een (nieuw) BMA-advies moet worden uitgebracht, dat het vaak acht weken duurt voordat een dergelijk advies is uitgebracht en dat daarna nog tijd nodig is voor het nemen van het besluit. Verweerder verzoekt dan ook om een termijn van twaalf weken voor het nemen van een nieuw besluit op eisers bezwaar.
Omdat verweerder niet tijdig op het bezwaar heeft beslist, dient het beroep van eiser gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal hierbij - gelet op verweerders gemotiveerde verzoek daartoe – bepalen dat verweerder binnen een termijn van vier weken na totstandkoming van het vereiste BMA-advies, echter uiterlijk binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak, dient te beslissen op eisers bezwaar van 31 oktober 2002.
Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met het instellen van beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Het bedrag van de te vergoeden proceskosten wordt bepaald op € 322,-. Voorts wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht ad € 141,--.
4. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- bepaalt dat verweerder binnen een termijn van vier weken na totstandkoming van het vereiste BMA-advies, echter uiterlijk binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een beslissing op het bezwaarschrift van 14 februari 2004 neemt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te voldoen;
- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het griffierecht ad € 141,-- aan eiser te voldoen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.B. Elferink en in tegenwoordigheid van mr. J.T.M. Nijboer als griffier in het openbaar uitgesproken op
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage [geen hoger beroep in visum zaken].
Artikel 85 Vw Pro 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat.
Afschrift verzonden: