ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ3890
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen verlies uit aanmerkelijk belang bij vervreemding aandelen ondanks geschil over overdrachts- en verkrijgingsprijs
Eiser had een aanmerkelijk belang in [B B.V.] en verkocht zijn aandelen aan [B. B. V.] in 1998. Hij stelde dat hij een verlies uit aanmerkelijk belang had geleden omdat de overdrachtsprijs lager zou zijn dan de verkrijgingsprijs. Verweerder betwistte dit en stelde dat de overdrachtsprijs gelijk was aan de overeengekomen verkoopprijs.
De rechtbank stelde vast dat het tijdstip van vervreemding het moment is waarop de koopovereenkomst perfect is geworden, ongeacht het moment van betaling of levering. Dit tijdstip werd vastgesteld op 24 maart 1998. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde van zijn belang op 1 januari 1997 zo sterk was gestegen als hij stelde, mede omdat de berekening van de verkrijgingsprijs was gebaseerd op een niet gerealiseerde verkoop van een deelneming.
Verder werd geoordeeld dat de vordering die onderdeel uitmaakte van de overdrachtsprijs niet lager was dan de nominale waarde en dat er geen reden was deze contant te maken. De rechtbank concludeerde dat de verkrijgingsprijs niet hoger was dan de overdrachtsprijs en verklaarde het beroep van eiser ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de aanslag inkomstenbelasting 1998 wordt ongegrond verklaard omdat geen verlies uit aanmerkelijk belang is vastgesteld.