ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ3495
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening wegens overschrijding redelijke beslistermijn bij aanvraag schriftelijke verklaring ex artikel 9 Vreemdelingenwet
Verzoeker, een Roemeense onderdaan, diende op 5 oktober 2006 een aanvraag in voor een schriftelijke verklaring ex artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarmee hij toestemming zou krijgen om als zelfstandige te werken. Verzoeker maakte bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de afgifte van de verklaring een eenvoudige handeling betreft waarvoor geen bijzondere vereisten gelden, behalve dat is aangetoond dat een aanvraag om een verblijfsvergunning is ingediend. De beslistermijn van twee weken na ontvangst van de aanvraag werd als redelijk beschouwd. Deze termijn was echter verstreken zonder dat verweerder had beslist.
Verweerder voerde aan dat verzoeker geen spoedeisend belang had en dat de beslistermijn nog niet was verstreken, maar deze verweren werden verworpen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig is omdat verzoeker anders niet kan werken als zelfstandige. Daarom werd verweerder opgedragen binnen twee weken te beslissen op de aanvraag. Het meer en anders gevorderde werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht werd aan verzoeker vergoed.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter L.M. Kos op 16 november 2006 en is onherroepelijk.
Uitkomst: Verweerder wordt opgedragen binnen twee weken te beslissen op de aanvraag van verzoeker voor een schriftelijke verklaring ex artikel 9 Vreemdelingenwet 2000.