ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ1001
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing asielaanvraag EU-onderdaan met rechtmatig verblijf
Verzoeker, een Poolse EU-onderdaan, diende een asielaanvraag in nadat hij in Polen was gevlucht vanwege verhoogde strafmaat voor abortus. Verweerder wees de aanvraag af op grond van artikel 30, eerste lid, onder b, Vreemdelingenwet 2000, omdat verzoeker reeds rechtmatig verblijf had als EU-burger.
Verzoeker betwistte de afwijzing en stelde dat deze in strijd was met internationale verdragen zoals het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en het Aznar protocol. De rechtbank stelde vast dat verzoeker rechtmatig verblijf had en dat de afwijzing terecht was op grond van de imperatieve afwijzingsgrond in artikel 30 Vw Pro 2000.
De rechtbank oordeelde echter dat de bestreden beschikking onjuist vermeldde dat verzoeker niet langer rechtmatig verblijf had en dat hij het beroep niet in Nederland mocht afwachten. Daarom werd de beschikking vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker werd opgevangen door een kerk en kwam niet ten laste van de staat. De rechtbank concludeerde dat artikel 30 Vw Pro 2000 niet in strijd is met het Aznar protocol, het Vluchtelingenverdrag of het EVRM zolang het rechtmatig verblijf voortduurt. Indien het rechtmatig verblijf eindigt, kan verzoeker alsnog een inhoudelijke beoordeling van zijn asielverzoek vragen.
De rechtbank veroordeelde verweerder in de proceskosten van verzoeker ad € 966,- en wees erop dat tegen de uitspraak hoger beroep mogelijk is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag en veroordeelt verweerder in de proceskosten, met instandhouding van de rechtsgevolgen.