ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ0531
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen mvv-vereiste op grond van discriminatieverbod en wederkerigheidsbeginsel
Eiser, een onderdaan van de Democratische Republiek Congo (DRC), verzocht om een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn echtgenote in Nederland. Verweerder wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiser stelde dat het mvv-vereiste discriminerend is op grond van artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) en dat een internationale overeenkomst uit 1884 tussen Nederland en de internationale Vereniging van den Congo, waarvan de DRC volgens eiser rechtsopvolger is, het mvv-vereiste uitsluit vanwege het wederkerigheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat het beroep op artikel 26 IVBPR Pro niet slaagt omdat het discriminatieverbod niet iedere ongelijke behandeling van verschillende nationaliteiten verbiedt, mits er een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Het onderscheid in het mvv-vereiste is gerechtvaardigd ter bescherming van de Nederlandse economische orde. Het beroep op de internationale overeenkomst en het wederkerigheidsbeginsel faalt eveneens, omdat de DRC zich niet heeft beroepen op rechten uit die overeenkomst en er geen sprake is van wederkerigheid in visumplicht tussen Nederland en de DRC.
De rechtbank heropende het onderzoek en besloot het onderzoek ter zitting niet voort te zetten. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken. De uitspraak bevestigt dat het mvv-vereiste niet in strijd is met het discriminatieverbod noch met het door eiser aangevoerde internationale verdrag en wederkerigheidsbeginsel.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wegens het ontbreken van een mvv is ongegrond verklaard.