ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ0066
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wegens doodslag
Eiseres, een Tsjechische staatsburger, had sinds 1997 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in Nederland op grond van verblijf bij partner. Deze vergunning werd ambtshalve ingetrokken en zij werd ongewenst verklaard na een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling tot vijf jaar gevangenisstraf en twee jaar terbeschikkingstelling met dwangverpleging wegens doodslag op haar partner.
Eiseres maakte op grond van het EG-Verdrag aanspraak op verblijf als EU-burger, mits zij over voldoende bestaansmiddelen en ziektekostenverzekering beschikte. De intrekking en ongewenstverklaring zijn gebaseerd op artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en de Richtlijn 64/221 EEG, die maatregelen tegen vreemdelingen toestaan indien sprake is van een actuele bedreiging van de openbare orde.
Verweerder stelde dat uit psychiatrische rapportages bleek dat eiseres een persoonlijkheidsproblematiek heeft met impulsiviteit en middelenmisbruik, wat een niet te verwaarlozen kans op recidive inhoudt. Eiseres voerde aan dat de rapportages verouderd zijn en dat zij sinds drie jaar geen alcohol of drugs gebruikt, waardoor de situatie veranderd zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht mocht aannemen dat eiseres een actuele bedreiging vormt, nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar situatie wezenlijk is veranderd. De strafrechtelijke veroordeling en de psychiatrische rapportages vormen een voldoende grondslag voor de intrekking en ongewenstverklaring. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning en ongewenstverklaring is ongegrond verklaard.