ECLI:NL:RBSGR:2006:AY9487
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Parkeerbelasting en het begrip voertuig bij bloemenkar in gemeente Den Haag
Eiser kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd voor het parkeren van zijn auto zonder vergunning of geldig kaartje aan een parkeervak in Den Haag. Eiser voerde aan dat hij slechts kort parkeerde om bloemen op te halen en dat een bloemenkar een deel van het parkeervak in beslag nam, waarvoor geen parkeerbelasting werd geheven.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet is gehoord tijdens de bezwaarprocedure, wat een schending van de wettelijke hoorplicht betekent. Dit leidde tot vernietiging van het bestreden besluit, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand omdat het feitelijk parkeren zonder betaling vaststond.
De rechtbank overwoog dat een bloemenkar meer lijkt op een kruiwagen of bouwcontainer dan op een voertuig zoals bedoeld in artikel 225 van Pro de Gemeentewet. Daarom is het parkeren met een bloemenkar niet gelijk aan het parkeren van een voertuig en is er geen sprake van het gelijkheidsbeginsel.
Verder werd geoordeeld dat een met Wet Mulder opgelegde boete geen belasting is en dat de mogelijke heffing van precariobelasting voor het hebben van een bloemenkar niet leidt tot cumulatie van belastingen, omdat deze heffingen niet over hetzelfde belastbare feit gaan.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en bepaalde dat de gemeente het betaalde griffierecht aan eiser moest vergoeden.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de uitspraak op bezwaar, met behoud van de rechtsgevolgen van het besluit.