ECLI:NL:RBSGR:2006:AY9090
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning alleenstaande minderjarige asielzoeker wegens onjuiste wettelijke grondslag
Verzoeker, van Togolese nationaliteit, kreeg op 20 september 2000 ambtshalve een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige asielzoeker. Deze vergunning werd op 5 februari 2002 ingetrokken door verweerder op grond van een individueel ambtsbericht dat zou aantonen dat verzoeker onjuiste gegevens had verstrekt, waardoor het onderzoek naar adequate opvang in het land van herkomst werd gefrustreerd.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de intrekkingsgrond, gebaseerd op artikel 19 Vreemdelingenwet Pro 2000 in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder c, niet van toepassing is op ambtshalve verleende vergunningen maar alleen op vergunningen verleend op aanvraag. Hierdoor berust het besluit op een onjuiste wettelijke grondslag en onjuiste motivering.
Daarnaast volgt uit het individueel ambtsbericht niet dat verzoeker onjuiste gegevens heeft verstrekt. Hoewel sommige gegevens niet bevestigd konden worden, werden de verklaringen van verzoeker ook niet uitgesloten. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen twijfel had over de gegevens bij de verlening en dat de motivering onvoldoende is om de intrekking te rechtvaardigen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit tot intrekking en herroept het besluit van 5 februari 2002. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat in de hoofdzaak wordt beslist. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en herroepen wegens onjuiste wettelijke grondslag en onvoldoende motivering.