ECLI:NL:RBSGR:2006:AY9085
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen weigering verlenging verblijfsvergunning en ongewenstverklaring
Verzoeker, een Iraanse staatsburger, heeft een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn echtgenote. Na een veroordeling wegens mishandeling en bedreiging heeft verweerder de verlenging van zijn verblijfsvergunning geweigerd en verzoeker ongewenst verklaard. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker wel degelijk belang heeft bij de voorlopige voorziening, omdat het bestreden besluit ook de ongewenstverklaring betreft. Indien deze ongewenstverklaring in bezwaar wordt vernietigd, kan de verlenging alsnog worden toegekend. De rechter weegt de belangen af aan de hand van artikel 8 EVRM Pro en de criteria uit de jurisprudentie van het EHRM, waaronder de ernst van het delict, de gezinssituatie en de gevolgen van uitzetting.
Hoewel de gepleegde misdrijven ernstig zijn, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom deze bepalend zouden zijn voor het besluit, mede gezien het gedrag van verzoeker sinds het incident en de positieve verklaring van zijn echtgenote. De rechter concludeert dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht wordt aan verzoeker vergoed.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en verwijdering wordt verboden totdat op het bezwaar is beslist.