ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7772
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij echtscheiding en gezagskwesties met verblijf minderjarige in Iran
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde een verzoek tot echtscheiding en nevenvoorzieningen, waaronder het ouderlijk gezag en de verblijfplaats van een minderjarige die sinds 8 juli 2005 bij de man in Iran verblijft. De vrouw verzocht om het gezag en de verblijfplaats bij haar toe te wijzen, terwijl de man stelde dat de Nederlandse rechter onbevoegd was vanwege de verblijfplaats in Iran.
De rechtbank constateerde dat de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten in Nederland was en dat de vrouw nog in Nederland verbleef, waardoor de Nederlandse rechter in beginsel bevoegd is tot echtscheiding. Er is echter sprake van een Iraanse procedure die mogelijk eerder is gestart, zodat partijen werden verzocht zich uit te laten over de aanvangsdatum en erkenning van Iraanse beslissingen in Nederland.
Met betrekking tot het huurrecht van de echtelijke woning in Nederland is de Nederlandse rechter bevoegd en zal dit verzoek worden toegewezen indien de echtscheiding wordt uitgesproken. De rechtbank overwoog dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige ondanks zijn verblijf in Iran nog steeds Nederland is, omdat de vrouw niet heeft ingestemd met de wijziging van verblijfplaats. De behandeling van kinderalimentatie werd aangehouden vanwege onzekerheid over de verblijfplaats van het kind. De rechtbank stelde de behandeling pro forma aan tot 1 september 2006 om partijen gelegenheid te geven stukken aan te leveren over de Iraanse procedure.
Uitkomst: De behandeling van de verzoeken wordt aangehouden tot 1 september 2006 voor nadere stukken over de Iraanse procedure en erkenning van beslissingen.