ECLI:NL:RBSGR:2006:AY5404

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
3 maart 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 05/8086 en 06/1122 BESLU
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.C. Dedel-van Walbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 AwbArt. 8:83 AwbArt. 9 Flora en faunawetArt. 65 Flora en faunawetArt. 68 Flora en faunawet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen ontheffing afschot spreeuwen ter voorkoming van gewasschade

Stichting De Faunabescherming stelde beroep in tegen het besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland om op basis van de Flora- en faunawet een ontheffing te verlenen aan de Faunabeheereenheid Zuid-Holland voor het afschot van spreeuwen ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

De rechtbank oordeelt dat het verlenen van de ontheffing door verweerder in overeenstemming is met artikel 68 van Pro de Flora- en faunawet, aangezien er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding van de spreeuwensoort niet wordt aangetast. De ontheffing is gebonden aan voorwaarden, waaronder het inzetten van preventieve maatregelen voordat tot afschot wordt overgegaan.

De rechtbank stelt vast dat de provincie Zuid-Holland behoort tot een gebied waar spreeuwen aanzienlijke schade aanbrengen aan diverse gewassen, zoals kersen, appels en bessen. De door eiseres aangevoerde schadegegevens uit het verleden bieden onvoldoende inzicht in de daadwerkelijke schade en de effectiviteit van afschot als preventiemiddel is niet overtuigend weerlegd.

De intrinsieke waarde van de dieren is meegenomen in de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het faunabeheerplan. Gezien deze overwegingen is het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de ontheffing voor het afschot van spreeuwen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
Reg. nr. AWB 05/8086 en 06/1122 BESLU
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:86
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak van
Stichting De Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen, verzoekster tevens eiseres, (hierna te noemen: eiseres),
ten aanzien van het besluit van 3 november 2005 van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, verweerder.
Derde-belanghebbende: de Faunabeheereenheid Zuid-Holland (hierna: FBE), kantoorhoudend te Dordrecht.
Ontstaan en loop van het geding
Eiseres heeft bij brief van 14 november 2005 tegen verweerders besluit van 3 november 2005, waarbij haar bezwaar ongegrond is verklaard, beroep ingesteld.
Bij brief van 6 februari 2006 is tevens aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 1 maart 2006. Voor eiseres is ter zitting verschenen [gemachtigde 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde 2] en voor de derde-belanghebbende was ter zitting aanwezig [gemachtigde 3].
Motivering
Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van Pro de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Er bestaat aanleiding om in dit geval van laatstgenoemde bevoegdheid gebruik te maken.
Ingevolge artikel 9 van Pro de Flora en faunawet (hierna: Ffw) is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.
Ingevolge artikel 68, eerste lid, onder c, en tweede lid, van de Ffw, is verweerder bevoegd wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, aan een faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan, ontheffing te verlenen van - voor zover hier van belang - het bepaalde bij of krachtens de artikel 9 van Pro de Ffw.
Verweerder heeft bij besluit van 13 juni 2005 - in de daar genoemde perioden - aan de FBE op basis van het door verweerder goedgekeurde Faunabeheerplan (hierna: FBP), ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen door spreeuwen, ontheffing verleend van het hiervoor genoemde verbod. Aan de ontheffing heeft verweerder de voorwaarde verbonden dat minimaal twee van de in hoofdstuk 10 van de FBP genoemde preventieve maatregelen in voldoende mate moeten zijn ingezet voordat de afschot van spreeuwen wordt toegestaan. Dit betekent dat slechts onder die (inperkende) voorwaarden op een perceel waar schade is ontstaan - na melding ervan aan de FBE - tot afschot gedurende een bepaald tijdvak kan worden gekomen. In het FBP is onderbouwd betoogd waarom de afschot van spreeuwen in dit geval in aanvulling op preventieve maatregelen (de standaard akoestische en visuele middelen) nodig is. De ontheffing moet worden gezien als een voortzetting van verweerders eerder gevoerde beleid.
Voor de stelling dat de ontheffing in strijd met artikel 68 van Pro de Ffw is verleend, omdat verweerder daarmee het verlenen van toestemming aan individuele grondgebruikers om spreeuwen af te schieten uit handen heeft gegeven aan de FBE bestaat geen grond. Verweerder kan ingevolge artikel 68, tweede lid, van de Ffw, aan de FBE ontheffing verlenen op basis van een FBP. De ontheffing heeft in overeenstemming met artikel 68, tweede lid, van de Ffw, op die basis plaatsgevonden. Dat het uitsluitend aan verweerder is voorbehouden om de genoemde toestemming te verlenen aan de individuele grondgebruiker, vindt in artikel 68 van Pro de Ffw geen steun.
Anders dan eiseres heeft aangevoerd, betekent de verplichte inzet van (slechts) twee preventieve maatregelen niet dat tot afschot zal worden overgegaan zonder dat is vast komen te staan dat alternatieve maatregelen geen bevredigende oplossing bieden. De voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden bevatten voldoende waarborgen dat niet lichtvaardig tot afschot zal worden overgegaan.
Met betrekking tot het standpunt van eiseres dat verweerder niet heeft aangetoond dat spreeuwen verantwoordelijk zijn voor belangrijke schade aan gewassen wordt het volgende overwogen.
Vooropgesteld wordt dat spreeuwen behoren tot een beschermde inheemse diersoort waarvan als vaststaand mag worden aangenomen dat die in delen van het land veelvuldig belangrijke schade aanricht. In dit verband wordt verwezen naar de aanwijzing op grond van artikel 65, eerste lid, en onder c, van de Ffw, in samenhang gelezen met bijlage 2 behorende bij artikel 3 van Pro het Besluit beheer en schadebestrijding dieren.
Op basis van de gegevens van het FBP is in dit concrete geval voldoende aannemelijk dat de provincie Zuid-Holland gerekend moet worden tot een deel van het land, waarin de spreeuw belangrijke schade aanricht. Met name voor in het FBP (en de ontheffing) genoemde gebieden komt naar voren dat voor bepaalde gewassen belangrijke schade dreigt. Zo wordt in het FBP aangegeven dat de spreeuw de enige vogelsoort is die in belangrijke mate schade toebrengt in kersenboomgaarden. Vooral boomgaarden met grazend vee trekken spreeuwen aan. Naast kersen en morellen, blijken ook appels, peren, bessen, bramen, frambozen, aardbeien, bloemen, bloembollen en -zaden, alsmede graan, helm, griend, riet en biezen niet veilig voor de spreeuw. Verwezen wordt naar hoofdstuk 10.3 van het FBP. De daar genoemde gegevens heeft de FBE ontleend aan het Handboek Faunaschade van J.G. Oord. Gelet hierop kan ervan worden uitgegaan dat, wanneer spreeuwen een tijd lang in grote getale in een gebied verblijven met schadegevoelige gewassen, de dreiging van belangrijke schade min of meer gegeven is.
Hier komt bij dat eiseres haar standpunt dat belangrijke schade niet is aangetoond heeft onderbouwd aan de hand van schadegegevens uit het verleden (schademeldingen bij het Faunafonds). Deze meldingen bieden echter onvoldoende zicht op de daadwerkelijk door spreeuwen aangerichte schade. Omdat spreeuwen in de schadeperioden zowel vóór als na de inwerkingtreding van de Ffw op grond van vergunningen en ontheffingen zijn bejaagd, laten deze cijfers bovendien alleen die schade zien die ondanks alle (preventieve) maatregelen (inclusief het middel van bejaging) is ontstaan. Zo wordt niet duidelijk hoe groot de schade zou zijn geweest indien de spreeuwen niet zouden zijn bejaagd. Op basis van deze cijfers kan niet worden geconcludeerd dat dreiging van belangrijke schade in het FBP onvoldoende aannemelijk is gemaakt.
Eiseres heeft weliswaar vraagtekens geplaatst bij de effectiviteit van het middel van afschot,. maar heeft daarbij verwezen naar de resultaten van een in opdracht van het toenmalige Ministerie van Landbouw en Visserij in 1985 verricht onderzoek. Het onderzoeksrapport komt echter niet tot die eenduidige conclusies die eiseres daarin heeft gelezen. Zo wordt over het schieten van spreeuwen als afschrikmiddel zeer verschillend gedacht onder fruittelers (pagina 79) en stellen de contactambtenaren-Vogelwet dat schieten de schade aan de gewassen wel helpt beperken. Eiseres heeft slechts selectief een aantal passages uit het rapport gelicht om haar standpunt te ondersteunen. Voor de algemene conclusie dat het afschieten van spreeuwen geen effectief middel ter voorkoming van schade aan gewassen is, biedt dit rapport onvoldoende grond.
Met betrekking tot de intrinsieke waarde van dieren wordt overwogen dat de Ffw deze waarde weliswaar als uitgangspunt erkent, maar dat het geen afzonderlijk toetsingscriterium is bij de toepassing van artikel 68 van Pro de Ffw. Voor een ander standpunt is in de Ffw geen steun te vinden. Hierbij wordt nog in aanmerking genomen dat de intrinsieke waarde bovendien reeds is meegenomen in de belangenafweging waarvan het FBP een afspiegeling is. Daarmee is met dit criterium reeds voldoende rekening gehouden.
Gezien het voorgaande kon verweerder in dit specifieke geval, na afweging van alle daarbij betrokken belangen, in redelijkheid gebruik maken van de bevoegdheid aan de FBE de bestreden ontheffing te verlenen.
Het beroep is derhalve ongegrond en voor het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen aanleiding.
Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij op het beroep is beslist, kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale van Beroep.
Aldus gegeven door mr. C.C. Dedel-van Walbeek, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.