ECLI:NL:RBSGR:2006:AX8588
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling legesheffing bij aanvraag bouwvergunning met vrijstellingsverzoek
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de leges van € 854,13 die hem zijn opgelegd in verband met de aanvraag van een bouwvergunning voor het gedeeltelijk vernieuwen van een schuur. Hij betwistte met name de heffing van leges voor een vrijstellingsprocedure, omdat hij niet expliciet om een vrijstelling had verzocht.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag om een bouwvergunning, die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling op grond van de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, geacht wordt mede een verzoek om die vrijstelling in te houden. Dit volgt uit artikel 46, derde lid, tweede volzin, van de Woningwet.
De rechtbank stelde vast dat het primaire besluit waartegen het bezwaar was gericht de schriftelijke kennisgeving van 30 juni 2005 betrof, en dat het bezwaarschrift weliswaar te vroeg was ingediend, maar dat dit niet tot niet-ontvankelijkheid leidde vanwege de redelijke verwachting van eiser.
De rechtbank concludeerde dat de legesheffing terecht was gebaseerd op het in behandeling nemen van het gecombineerde verzoek om bouwvergunning en vrijstelling, zoals omschreven in de tarieventabel behorende bij de Legesverordening 2004. Daarmee werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de legesheffing voor de bouwvergunning en vrijstellingsprocedure wordt ongegrond verklaard.