ECLI:NL:RBSGR:2006:AX4276
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vrijstelling mvv-vereiste wegens ontbreken geldige machtiging
Verzoekster, Oekraïense nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, welke is afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verzoekster betoogde dat het mvv-vereiste in strijd is met artikel 26 IVBPR Pro, omdat het onderscheid naar nationaliteit niet gerechtvaardigd zou zijn en dat zij vrijstelling zou moeten krijgen op grond van de hardheidsclausule.
De voorzieningenrechter overwoog dat het onderscheid naar nationaliteit gerechtvaardigd is door bescherming van de Nederlandse economische orde en dat de vrijstelling van het mvv-vereiste alleen geldt voor landen die door de Minister van Buitenlandse Zaken zijn aangewezen. Verzoekster kon niet aantonen dat zij onder een dergelijke uitzondering valt. Bovendien is onvoldoende gebleken dat toepassing van het mvv-vereiste tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt.
De rechtbank volgde eerdere uitspraken van de meervoudige kamer en de Afdeling Bestuursrechtspraak, waarbij het ontbreken van een formele aanwijzing van landen door de Minister van Buitenlandse Zaken niet leidt tot het vervallen van het mvv-vereiste. Het beroep van verzoekster op artikel 26 IVBPR Pro en de hardheidsclausule werd verworpen.
Daarom is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen en is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het mvv-vereiste terecht is toegepast en geen onbillijkheid van overwegende aard is vastgesteld.