ECLI:NL:RBSGR:2006:AV5286
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvragen joods gezin uit Noord-Irak ondanks risico op schending artikel 3 EVRM
Verzoekers, een Iraaks gezin met joodse afkomst, dienden herhaalde asielaanvragen in na eerdere afwijzingen. De rechtbank oordeelt dat de aanvragen afgewezen mogen worden op grond van artikel 4:6 Awb Pro, omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (nova) zijn aangevoerd die afdoen aan eerdere besluiten.
Hoewel verzoekers wijzen op de verslechterde situatie voor joden in Noord-Irak en hun verblijf in Israël, acht de rechtbank deze feiten niet als nova, omdat zij deze informatie reeds bij eerdere aanvragen hadden moeten aanvoeren. Wel erkent de rechtbank dat er twijfel bestaat over het risico op foltering of onmenselijke behandeling bij uitzetting, mede gelet op het UNHCR-rapport.
Daarom weegt het belang van verzoekers om niet uitgezet te worden en hun opvang te behouden zwaarder dan het belang van de staat bij beëindiging van verstrekkingen en uitzetting. De rechtbank wijst het beroep van verzoeker M ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening in die zaak af, maar treft voor de asielaanvragen een voorlopige voorziening die uitzetting verbiedt tot uitspraak op het beroep.
Uitkomst: Asielaanvragen afgewezen wegens ontbreken nova, maar voorlopige voorziening tegen uitzetting getroffen vanwege mogelijk risico artikel 3 EVRM