ECLI:NL:RBSGR:2006:AV1943
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening bij gewijzigde regelgeving mvv-vereiste voor verblijf bij partner
Verzoekster heeft een tweede aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar partner, nadat een eerdere aanvraag was afgewezen en in rechte onaantastbaar was geworden. Verweerder stelde dat de aanvraag als herhaalde aanvraag moest worden beoordeeld en dat het mvv-vereiste onverkort van toepassing bleef, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren gesteld.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het in werking treden van het WBV 2005/46 op 7 oktober 2005 een wijziging van het toepasselijke recht betekende. Dit besluit bevatte een vrijstelling van het mvv-vereiste voor vreemdelingen die vóór 1 april 2001 een vluchtelingenaanvraag hadden ingediend en tussen 14 januari 2003 en 17 maart 2005 een specifieke brief aan de minister hadden gestuurd, wat bij verzoekster het geval was.
Hierdoor was artikel 4:6 Awb Pro, dat nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vereist bij herhaalde aanvragen, niet van toepassing. Verweerder moest de aanvraag van verzoekster toetsen aan het gewijzigde recht. De voorlopige voorziening werd daarom toegewezen, waardoor uitzetting werd voorkomen tot vier weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen, waardoor uitzetting van verzoekster wordt voorkomen tot vier weken na beslissing op bezwaar.