ECLI:NL:RBSGR:2005:AV1163
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van Rossum
- Kuijer
- Jofriet
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens medeplegen van foltering en schendingen tijdens gewapend conflict in Afghanistan
De rechtbank Den Haag behandelde een strafzaak tegen de verdachte, geboren in Afghanistan, die werd verdacht van medeplegen van foltering en schendingen van het oorlogsrecht tijdens het gewapend conflict in Afghanistan tussen 1978 en 1992. De verdachte was onder meer hoofd van de militaire inlichtingendienst en vice-minister van staatsveiligheid.
De verdediging voerde meerdere procedurele bezwaren aan, waaronder schending van het nemo tenetur-beginsel door het gebruik van verklaringen uit de asielprocedure, schending van het gelijkheidsbeginsel en het recht op kruisverhoor. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen bij de IND niet onder dwang waren afgelegd en dat het gebruik daarvan in de strafprocedure geoorloofd was. Ook was de verdediging voldoende in staat gesteld haar verdediging voor te bereiden en getuigen te ondervragen.
Feiten en getuigenverklaringen toonden aan dat de verdachte leiding gaf aan folterpraktijken, waaronder het bevelen en toestaan van martelingen in gevangenissen zoals Sedarat. Diverse getuigen beschreven ernstige mishandelingen en psychische en fysieke schade. De rechtbank kwalificeerde het conflict als een niet-internationaal gewapend conflict waarop het gemeenschappelijk artikel 3 van Pro de Geneefse Conventies van toepassing is.
De rechtbank verwierp meerdere juridische bezwaren van de verdediging, waaronder betwisting van de universele jurisdictie en de toepasselijkheid van het oorlogsrecht. Uiteindelijk werd de verdachte veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf, waarbij rekening werd gehouden met zijn hoge positie en verantwoordelijkheid binnen het regime.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van foltering en schendingen van het oorlogsrecht.