ECLI:NL:RBSGR:2005:AU5621
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag verblijfsvergunning via gemachtigde in vreemdelingenrecht
Eiseres, samen met haar minderjarige dochters, diende in 1997 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning die werd afgewezen en onherroepelijk werd verklaard. Op 3 februari 2003 stuurde een medewerker van VluchtelingenWerk namens haar een brief aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) met het verzoek om heroverweging van het besluit. Verweerder stelde dat deze brief geen rechtsgeldige aanvraag was omdat deze niet persoonlijk door eiseres was ingediend.
De rechtbank oordeelde dat de brief van 3 februari 2003 naar aard en strekking gelijkgesteld kon worden aan een aanvraag in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, derde lid. De inhoud en strekking van de brief waren vergelijkbaar met een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De stelling van verweerder dat de aanvraag persoonlijk moest worden ingediend, werd verworpen omdat de artikelen 23 en 36 Vreemdelingenwet 2000 geen openbare orde bepaling bevatten die dit zou verbieden.
Verder werd geoordeeld dat verweerder eiseres niet eerder had gewezen op het ontbreken van een persoonlijke indiening en haar ook niet de gelegenheid had gegeven dit te herstellen. De brief van 3 juni 2003 van verweerder werd aangemerkt als een schriftelijke weigering op de aanvraag. Het beroep van eiseres werd gegrond verklaard, het besluit van 22 november 2004 vernietigd en verweerder werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 november 2004, met de opdracht aan verweerder een nieuw besluit te nemen.