ECLI:NL:RBSGR:2005:AU4347
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van Rossum
- Kuijer
- Jofriet
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor medeplegen van foltering en schendingen van oorlogsrecht in Afghanistan
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van medeplegen van foltering en schending van de wetten en gebruiken van oorlog in Afghanistan tussen 1978 en 1992. Verdachte was hoofd van de militaire inlichtingendienst en onderminister van staatsveiligheid en had feitelijke zeggenschap over verhoorders die martelingen uitvoerden.
De verdediging voerde onder meer aan dat het nemo tenetur-beginsel was geschonden door het gebruik van verklaringen die verdachte in een asielprocedure bij de IND had afgelegd, dat het beginsel van equality of arms was geschonden door onvoldoende verdedigingsfaciliteiten, en dat het recht op cross-examination van een getuige was beperkt. De rechtbank verwierp deze verweren, stellende dat de verklaringen vrijwillig waren afgelegd en niet primair voor strafrechtelijk gebruik waren bedoeld, dat verdachte voldoende gelegenheid had gehad tot verdediging en ondervraging van getuigen, en dat de belastende verklaringen voldoende steun vonden in ander bewijs.
De rechtbank stelde vast dat er een niet-internationaal gewapend conflict was geweest in Afghanistan, waarbij verdachte betrokken was bij ernstige schendingen van het humanitair oorlogsrecht, waaronder foltering. De strafrechtelijke kwalificatie vond plaats op grond van de Wet Oorlogsstrafrecht en de Uitvoeringswet folteringverdrag. De rechtbank oordeelde dat Nederland universele rechtsmacht heeft voor deze misdrijven.
De rechtbank wees het ontvankelijkheidsverweer af en verklaarde verdachte vrij van een van de ten laste gelegde feiten wegens onvoldoende bewijs. Voor de overige feiten werd verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar, met aftrek van voorarrest. De rechtbank bevestigde dat de privacy-inbreuk door overdracht van IND-dossiers aan het OM gerechtvaardigd was op grond van wettelijke basis en dringende maatschappelijke noodzaak.
Het vonnis werd gewezen door Van Rossum, Kuijer en Jofriet op 14 oktober 2005 na een uitgebreide procedure met meerdere zittingen en getuigenverhoren, waaronder internationaal onderzoek en verklaringen van slachtoffers en deskundigen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van foltering en schending van oorlogsrecht.