ECLI:NL:RBSGR:2005:AU4044
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 3 EVRM voor etnische Azeri uit Armenië
Eisers, een Armeen en een vrouw van Azeri-afkomst, vroegen een verblijfsvergunning asiel aan na vertrek uit Armenië in 1990. Verweerder wees de aanvragen af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat zij gegronde vrees voor vervolging hadden. Eisers voerden aan dat het beleid van verweerder een lichtere stelplicht en bewijslast hanteert voor etnische Azeri die voor 1992 Armenië verlieten, omdat terugkeer een schending van artikel 3 EVRM Pro inhoudt.
De rechtbank overwoog dat verweerder onvoldoende uitleg gaf over wanneer aan die lichtere stelplicht voldaan is, maar dat dit in deze zaak het geval was. De afwijzing met een standaardoverweging dat onvoldoende aanknopingspunten waren, was onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast concludeerde de rechtbank dat verweerder terecht oordeelde dat eisers niet aannemelijk maakten dat zij gegronde vrees voor vervolging hadden in de zin van het Vluchtelingenverdrag, mede gelet op ambtsberichten en het feit dat eiser in 1995 terugkeerde.
De rechtbank vernietigde de bestreden besluiten en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten. Het beroep werd gegrond verklaard, waarmee de afwijzing van de verblijfsvergunning werd teruggedraaid wegens onvoldoende motivering ten aanzien van artikel 3 EVRM Pro.
Uitkomst: De beroepen van eisers worden gegrond verklaard en de afwijzing van hun verblijfsvergunning op grond van artikel 3 EVRM wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.