ECLI:NL:RBSGR:2005:AT8644
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Toepassing discretionaire bevoegdheid bij aanvraag verblijfsvergunning namens asielzoekers
Drie Ethiopische zussen hebben via Stichting Vluchtelingenwerk een brief ingediend waarin zij een beroep deden op de discretionaire bevoegdheid voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Verweerder verklaarde het bezwaar tegen het niet-verlenen van een vergunning niet-ontvankelijk omdat er geen sprake zou zijn van een aanvraag. De rechtbank overweegt dat Stichting Vluchtelingenwerk als belangenbehartiger optreedt namens de zussen en niet voor zichzelf, waardoor de brief als een aanvraag moet worden aangemerkt.
De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin onderscheid wordt gemaakt tussen een derde die uit persoonlijke betrokkenheid handelt en een belangenbehartiger zoals Stichting Vluchtelingenwerk. Gelet op de doelstelling van de stichting en de inhoud van de brief acht de rechtbank het aannemelijk dat de aanvraag namens de zussen is gedaan. Het ontbreken van een expliciete machtiging en het feit dat verweerder geen machtiging heeft gevraagd, doet hieraan niet af.
De rechtbank verklaart het bezwaar tegen de niet-ontvankelijkheid gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het bezwaar tegen niet-ontvankelijkheid wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht aan verweerder om opnieuw te beslissen.