ECLI:NL:RBSGR:2005:AT8602
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- A.J. van Putten
- E.B. de Vries
- G.D. de Jong
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering verblijfsvergunning en opheffing ongewenstverklaring wegens vertrouwensbeginsel
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is in 1989 Nederland binnengekomen en in 1996 ongewenst verklaard vanwege eerdere veroordelingen. Na zijn verwijdering uit Nederland trouwde hij met een Nederlandse vrouw en vroeg hij in 2001 een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan, die werd toegekend. Eiser reisde vervolgens naar Nederland in de veronderstelling dat de ongewenstverklaring zou worden opgeheven en dat hij een verblijfsvergunning zou verkrijgen.
De rechtbank oordeelt dat de verstrekking van de mvv het vertrouwen bij eiser heeft gewekt dat de strafbare feiten die aan de ongewenstverklaring ten grondslag lagen, geen belemmering meer zouden vormen voor zijn toelating tot Nederland. Dit vertrouwen is gerechtvaardigd, mede omdat het onderzoek voorafgaand aan de mvv-aanvraag correct is uitgevoerd en de korpschef op de hoogte was van de ongewenstverklaring.
Verweerder stelde dat eiser zich niet op het vertrouwensbeginsel kon beroepen en dat de weigering van de verblijfsvergunning gerechtvaardigd was vanwege de openbare orde. De rechtbank verwierp deze argumenten en oordeelde dat de weigering en afwijzing ondeugdelijk waren gemotiveerd en in strijd met het vertrouwensbeginsel en artikel 7:12 Awb Pro.
De rechtbank vernietigde daarom de bestreden besluiten en droeg verweerder op binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen, en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de weigering van de verblijfsvergunning en de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring en draagt op tot het nemen van nieuwe besluiten.