ECLI:NL:RBSGR:2005:AT8342
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering verblijfsvergunning medische behandeling
Verzoeker, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, heeft op 16 maart 2004 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking het ondergaan van medische behandeling. Deze aanvraag is bij besluit van 4 april 2005 afgewezen door verweerder, de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Verzoeker maakte hiertegen bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om schorsing van de rechtsgevolgen van het besluit.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de medische vragen die verweerder aan het Bureau Medische Advisering (BMA) stelde, overeenkomen met de modelvraagstelling voor aanvragen onder de beperking medische behandeling. Hierdoor was een apart onderzoek naar de reisgeschiktheid van verzoeker niet nodig. Verzoeker stelde dat onvoldoende was onderzocht welk risico hij liep op psychische decompensatie bij terugkeer naar Turkije, maar dit werd niet als een voldoende begin van bewijs beschouwd om de onderzoeksplicht van verweerder te activeren.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening niet zwaarder woog dan het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van het besluit. Het verzoek tot schorsing werd afgewezen en het bezwaar tegen het besluit werd ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.