ECLI:NL:RBSGR:2005:AT2866

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
7 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/2383, 04/2386
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 2:1 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:77 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering verlenging verblijfsvergunning medische behandeling wegens schending hoorplicht

Eisers, Congolese vreemdelingen die sinds 1994 in Nederland verblijven, vroegen verlenging van hun verblijfsvergunning met als doel medische behandeling. Na een afwijzing van de aanvraag en een ongegrond verklaard bezwaar, stelde de rechtbank vast dat eisers niet op correcte wijze zijn gehoord. Tijdens de hoorzitting weigerde de gemachtigde zich te legitimeren, waardoor de toegang werd geweigerd. Eisers wilden niet zonder hun gemachtigde worden gehoord en kregen geen nieuwe gelegenheid om zich te laten horen.

De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende Nederlands spreken om zonder deskundige bijstand hun zaak te bepleiten en dat het niet aanbieden van een nieuwe hoorzitting in strijd is met artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank achtte de vertraging door een nieuwe hoorzitting niet onredelijk, gezien de lange duur sinds het bezwaarschrift.

Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eisers. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer, enkelvoudig
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 Algemene Pro wet bestuursrecht
__________________________________________________
Reg.nr : AWB 04/2383 en 04/2386 BEPTDN
Inzake : [A] en zijn echtgenote [B], mede namens hun minderjarige kind, eisers,
V-nummers [v-nummer]/[v-nummer]/[v-nummer],
woonplaats kiezende ten kantore van hun gemachtigde,
drs. F.W. King, rechtskundig adviseur te Leiden,
tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. N.B. de Neef,
advocaat te Den Haag.
I. PROCESVERLOOP
1. Eisers, geboren op respectievelijk [geboortedatum] 1972 en [geboortedatum] 1975, bezitten de Congolese (DRC) nationaliteit. Zij verblijven sedert 8 maart 1994 als vreemdeling in Nederland. Bij schrijven van 29 maart 2001 hebben zij een aanvraag ingediend tot verlenging van een vergunning tot verblijf zonder beperking. Op 17 mei 2001 is dit verblijfsdoel gewijzigd in het verlengen van de eerder verleende vergunninghouder met het verblijfsdoel “medische behandeling”. Op deze aanvraag is door verweerder op 1 maart 2002 afwijzend beslist. Eisers hebben tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 22 december 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij schrijven van 16 januari 2004 hebben eisers tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.
3. De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 7 februari 2005. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
II. OVERWEGINGEN
1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.
2. Eisers stellen dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte zijn oordeel, dat zij niet in aanmerking komen voor een verlenging van hun verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel een medische behandeling, heeft gehandhaafd. Daartoe hebben zij aangevoerd dat verweerder hen naar aanleiding van hun bezwaar had moeten horen.
3. Verweerder stelt zich onder verwijzing naar de ingediende stukken op het standpunt dat eisers niet voor de gevraagde vergunning in aanmerking komen.
4. Ingevolge artikel 7:2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het op bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Van het horen kan slechts worden afgezien indien een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van Pro de Awb zich voordoet.
In artikel 2:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen kan laten bijstaan of door een gemachtigde kan laten vertegenwoordigen.
5. De rechtbank overweegt het volgende.
Voorop staat, dat verweerder slechts bij uitzondering het horen van een bezwaarde achterwege mag laten.
Verweerder heeft eisers bij brief van 29 september 2003 dan ook uitgenodigd om tijdens een zitting van de ambtelijke hoorcommissie een nadere toelichting te geven op hun bezwaarschrift. Eisers zijn hiertoe op 30 oktober 2003 vergezeld van hun toenmalige gemachtigde verschenen in het districtskantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst te Rijswijk. Volgens het verslag wat van dit voorgenomen gehoor is gemaakt heeft de gemachtigde van eiser geweigerd zich te legitimeren met een geldig legitimatiebewijs, waarop hem de toegang tot het districtskantoor is ontzegd. Eisers wilden, door de voorzitter van de hoorcommissie op dat moment voor de keuze gesteld, niet gehoord worden zonder aanwezigheid van hun gemachtigde. De genoemde voorzitter heeft terstond medegedeeld dat geen tweede gelegenheid om te worden gehoord zou worden geboden.
Eisers hebben ervan afgezien zonder bijstand door hun gemachtigde te worden gehoord. Een tweede gelegenheid te worden gehoord is inderdaad niet geboden.
Daartoe heeft verweerder gesteld dat de keuze van de gemachtigde zich niet te legitimeren en de daaropvolgende keuze van eisers af te zien van het gehoor, een keuze is geweest die voor rekening en risico van eisers en hun gemachtigde dient te komen.
De rechtbank overweegt dat eisers weliswaar de Nederlandse taal enigszins beheersen en tot op zekere hoogte in Nederland ingeburgerd zijn, maar niet in die mate dat van hen kan worden verwacht dat zij zonder deskundige bijstand hun zaak kunnen bepleiten tegenover een ambtelijke hoorcommissie. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat zij vooraf ervoor hadden gekozen om niet zelf hun zaak te komen bepleiten, maar zich daartoe door hun gemachtigde te laten bijstaan.
Dat hun gemachtigde bij deze hoorzitting zou verschijnen zonder geldig legitimatiebewijs en deswege de toegang zou worden geweigerd was hen kennelijk niet van te voren bekend. Zij zijn dus overvallen door de keuze tussen twee mogelijkheden die zij geen van beide wensten, namelijk ofwel niet worden gehoord ofwel, zonder zich daarop te hebben kunnen voorbereiden, zonder bijstand van hun gemachtigde worden gehoord.
De rechtbank vermag niet in te zien waarom eisers niet de gelegenheid is geboden zich te beraden op de mogelijkheid zich op een later tijdstip alsnog te laten horen met een andere gemachtigde, danwel zonder bijstand door een gemachtigde, waarop zij zich alsdan hadden kunnen voorbereiden.
Dat daardoor de voortgang van de procedure teveel vertraging zou hebben ondervonden komt de rechtbank onwaarschijnlijk voor, in aanmerking genomen dat het bezwaarschrift dateert van 28 maart 2002, de mislukte hoorzitting pas op 30 oktober 2003 heeft plaatsgevonden en verweerder vervolgens op 22 december 2003 op het bezwaar heeft beslist.
6. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het besluit van verweerder genomen is in strijd met het bepaalde in artikel 7:2 van Pro de Awb. De beroepen zijn derhalve gegrond en de bestreden beschikking zal worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift.
7. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de (samenhangende als bedoeld in artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht) beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).
III. BESLISSING
De rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
1. verklaart het beroep gegrond;
2. vernietigt het bestreden besluit;
3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt;
4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan eisers dient te vergoeden;
5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eisers betaalde griffierecht ad € 116,- vergoedt.
Aldus gedaan door mr. J.L. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2005, in tegenwoordigheid van C.A.Y. Morison-Libourel, griffier.
RECHTSMIDDEL
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.
Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)
afschrift verzonden op: