ECLI:NL:RBSGR:2005:AS5990
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.H.B.M. Potters
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van TBV 1999/22 wegens strafrechtelijke contra-indicatie
Eiser, een Iraanse asielzoeker die sinds 1994 in Nederland verblijft, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van het beleid TBV 1999/22 voor uitgeprocedeerde Iraanse asielzoekers. Dit beleid stelt onder meer dat geen verblijfsvergunning wordt verleend indien sprake is van strafrechtelijke contra-indicaties.
Eiser werd op 14 januari 2002 veroordeeld tot een geldboete wegens mishandeling en vernieling, hetgeen verweerder als relevante contra-indicatie aanmerkt. Eiser voerde aan dat deze veroordeling na de peildatum van het beleid lag en dat verweerder had moeten afwijken van het beleid vanwege bijzondere omstandigheden. Tevens stelde hij dat zijn hoorplicht was geschonden en dat artikel 8 EVRM Pro werd geschonden.
De rechtbank oordeelde dat het beleid TBV 1999/22 de toetssteen blijft, ook als later gunstiger beleid is ingevoerd, en dat de strafrechtelijke veroordeling terecht als contra-indicatie is tegengeworpen. De inherente afwijkingsbevoegdheid is slechts in zeer uitzonderlijke gevallen toepasbaar, wat hier niet het geval was. De hoorplicht is niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Artikel 8 EVRM Pro speelt geen rol in deze reguliere procedure. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning op grond van TBV 1999/22 wordt ongegrond verklaard vanwege de strafrechtelijke contra-indicatie.