ECLI:NL:RBSGR:2004:AS2390

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
29 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/30154
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:55 AwbArt. 6:7 AwbArt. 16 Vo 343/2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking overname asielaanvraag wegens motiveringsgebrek en risico indirect refoulement

Eiser diende op 7 oktober 2003 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder wees de aanvraag af op grond van de Dublinverordening, omdat Griekenland verantwoordelijk was voor de behandeling van het asielverzoek. Eiser stelde beroep in tegen deze beschikking van 30 juni 2004.

De rechtbank constateerde dat verweerder niet adequaat was ingegaan op het door eiser aangevoerde risico van indirect refoulement, onderbouwd met rapporten van Amnesty International en The World Organisation Against Torture, die bij de zienswijze waren gevoegd. De verwijzing in de beschikking naar het voornemen was volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank oordeelde dat de bestreden beschikking daarom niet voldeed aan de motiveringsplicht zoals vereist in artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep werd gegrond verklaard, de beschikking vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beschikking te geven met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser ad € 322,-.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de beschikking en draagt verweerder op een nieuwe beschikking te geven met een deugdelijke motivering over het risico van indirect refoulement.

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE
nevenzittingsplaats Zwolle
sector vreemdelingenrecht
regnr.: Awb 04/30154
UITSPRAAK
inzake: A,
geboren op [...] 1975,
van Turkse nationaliteit,
IND dossiernummer 0310.07.0345,
gemachtigde: mr. drs. J.M. Walls, advocaat te Dordrecht,
eiser;
tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE
(Immigratie- en Naturalisatiedienst),
te 's-Gravenhage,
verweerder.
1 Procesverloop
1.1 Op 7 oktober 2003 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij beschikking van 30 juni 2004 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Bij brief van 2 juli 2004 heeft eiser beroep ingesteld tegen deze beschikking.
2 Overwegingen
2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.
2.2 Op 17 maart 2003 is de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna Vo 343/2003) in werking getreden. Vo 343/2003 is van toepassing op asielverzoeken die zijn ingediend vanaf 1 september 2003.
Op grond van artikel 24, tweede lid, Vo 343/2003 wordt bij asielverzoeken die na 1 september 2003 zijn ingediend, rekening gehouden met de feiten op grond waarvan krachtens Vo 343/2003 de verantwoordelijkheid aan een lidstaat kan worden toegeschreven, als ze dateren van vóór die datum, uitgezonderd de in artikel 10, tweede lid, Vo 343/2003 genoemde gevallen.
2.3 Een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw Pro 2000 wordt afgewezen indien een ander land partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag (artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000).
2.4 Griekenland heeft het terugnameverzoek op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, Vo 343/2003 op 21 juni 2004 aanvaard.
2.5 Eiser heeft aangevoerd dat in de beschikking niet gemotiveerd is ingegaan op hetgeen eiser in de zienswijze met betrekking tot het risico van indirect refoulement heeft onderbouwd.
De rechtbank heeft met eiser geconstateerd dat verweerder in de bestreden beschikking niet is ingegaan op het in de zienswijze door eiser genoemde rapport van Amnesty International en het bericht van The World Organisation Against Torture, welke documenten eiser bij de zienswijze had gevoegd.
De rechtbank is van oordeel dat de zin in de bestreden beschikking waarin, met betrekking tot hetgeen is aangevoerd omtrent het risico van indirect refoulement, wordt verwezen naar het voornemen geen afdoende gemotiveerde weerlegging van de zienswijze is. Derhalve is de bestreden beschikking genomen in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat een deugdelijke motivering vereist. De bestreden beschikking komt op die grond voor vernietiging in aanmerking.
2.6 Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk gegrond.
2.7 Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb, zal verweerder worden opgedragen opnieuw op de aanvraag te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
2.8 Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding om verweerder, als de in het ongelijk gestelde partij, te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 322,-, als kosten van verleende rechtsbijstand.
3 BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden beschikking van 30 juni 2004;
- draagt verweerder op een nieuwe beschikking te geven met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 322,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L.E. Blauw als griffier op 29 sep. 2004
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 j° 6:7 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Afschrift verzonden: 29 sep. 04