ECLI:NL:RBSGR:2004:AS2037
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing maatregel bewaring wegens schending termijn hoorzitting vreemdeling
De vreemdeling, met Bulgaarse nationaliteit, werd op 14 december 2004 in bewaring gesteld wegens vermoedelijke onttrekking aan uitzetting. Het beroep richtte zich tegen deze maatregel en tevens op een verzoek om schadevergoeding. Tijdens de zitting op 27 december 2004 verscheen de vreemdeling niet persoonlijk, maar werd vertegenwoordigd door een raadsman. De maatregel was opgelegd op grond van het ontbreken van identiteitspapieren, niet aanmelden bij de korpschef, het niet naleven van vertrektermijn en het ontbreken van een vaste verblijfplaats.
Door een miscommunicatie was de vreemdeling niet tijdig aangevoerd ter zitting, terwijl de minister verzocht had om uitstel binnen de wettelijke termijn van veertien dagen. De rechtbank oordeelde dat het zittingsrooster van de rechtbank 's-Gravenhage geen habeas corpuszitting binnen deze termijn voorzag, waardoor het verzoek om uitstel moest worden afgewezen. Dit leidde tot strijdigheid met artikel 94, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de maatregel van bewaring per 28 december 2004 werd opgeheven. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten, vastgesteld op €644, te betalen aan de griffier van de rechtbank.
Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens schending van de termijn voor het horen van de vreemdeling.