ECLI:NL:RBSGR:2004:AR8224
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep op voortgezet verblijf en gezinsleven na afwijzing verblijfsvergunning
Eiser, een Kaapverdische vreemdeling, verzocht om een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn kind in Nederland. Na eerdere afwijzingen en een gegrond verklaard beroep, nam verweerder een nieuw afwijzend besluit. Eiser voerde aan dat de weigering in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, omdat hij rechtmatig verblijf had en omgang met zijn dochter volgens een omgangsregeling plaatsvond.
De rechtbank overwoog dat de inmenging in het gezinsleven proportioneel moet zijn en verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het belang van de openbare orde zwaarder zou wegen dan het belang van eiser. De strafrechtelijke veroordeling van eiser voor opiumdelicten lag ruim zes jaar terug en vormde geen blijvend recidivegevaar. Ook werd onvoldoende rekening gehouden met het feit dat eiser niet mocht werken en daardoor niet kon bijdragen in de kosten van zijn dochter.
Verder erkende de rechtbank dat er subjectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven elders uit te oefenen, zoals de Nederlandse nationaliteit van dochter en ex-partner, hun sociale en familiale situatie en het belang van voortzetting van de scholing van de dochter in Nederland. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde verweerder in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het afwijzend besluit tot verlening van een verblijfsvergunning wordt vernietigd.