ECLI:NL:RBSGR:2004:AR7919
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Verantwoordelijkheid Nederland voor asielverzoek na verstreken overdrachtstermijn in Dublinprocedure
Verzoeker, een Iraanse asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Nederland had een terugnameverzoek ingediend bij Duitsland op basis van de Dublinverordening (EG) 343/2003, die bepaalt welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek.
De kern van het geschil betrof de vraag of de zesmaandentermijn voor overdracht aan Duitsland was verstreken zonder dat de overdracht had plaatsgevonden, waardoor Nederland verantwoordelijk zou worden voor de behandeling van het asielverzoek. Verweerder stelde dat het beroep opschortende werking had gekregen, waardoor de termijn pas na de uitspraak op het beroep zou beginnen te lopen.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat geen opschortende werking aan het beroep was verleend, alleen een verbod op uitzetting tot beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening. De termijn van zes maanden liep daarom vanaf de aanvaarding van het terugnameverzoek. Omdat op 27 september 2004 zes maanden waren verstreken zonder overdracht, berustte de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek bij Nederland.
Het beroep werd gegrond verklaard, de beschikking van 26 juli 2004 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en bepaalt dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek na het verstrijken van de overdrachtstermijn.