ECLI:NL:RBSGR:2004:AR7902
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek terugname asielzoeker op grond van Dublinverordening
Verzoeker, een Iraakse asielzoeker, diende op 4 september 2003 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Verweerder, de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, wees de aanvraag af omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van het verzoek op grond van de Dublinverordening (EG-Verordening 343/2003). Verzoeker stelde dat verweerder onredelijk lang had gewacht met het indienen van het terugnameverzoek bij Duitsland en dat de termijn van drie maanden, zoals bij overnameverzoeken geldt, ook hier van toepassing zou moeten zijn.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de termijn van drie maanden uit artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet van toepassing is op terugnameverzoeken zoals geregeld in artikel 20 van Pro dezelfde verordening, waarin geen termijn is gesteld. De systematiek en toelichting van de verordening bieden geen grond om een lacune te veronderstellen of om de termijn van drie maanden toe te passen op terugnameverzoeken.
Verder werd overwogen dat het tijdsverloop tussen de asielaanvraag en het terugnameverzoek geen reden gaf voor verweerder om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken. Daarbij speelde mee dat verzoeker had verzwegen dat hij eerder onder een andere naam en geboortedatum een asielverzoek in Duitsland had ingediend, wat voor zijn rekening en risico kwam.
De rechtbank wees het verzoek om voorlopige voorziening af en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien om een partij in de proceskosten te veroordelen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het beroep wordt ongegrond verklaard.