ECLI:NL:RBSGR:2004:AR7863
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening en beroep in vreemdelingenzaak wegens vertrek verzoekers
Verzoekers, van Iraakse nationaliteit, dienden in september 2003 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wees deze aanvragen in juni 2004 af omdat Griekenland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling. Verzoekers stelden hiertegen beroep in en verzochten om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
Bij de zitting in september 2004 verschenen verzoekers noch hun gemachtigden. Uit een brief van hun advocaat bleek dat verzoekers sinds november 2003 met onbekende bestemming waren vertrokken en geen contact meer hadden onderhouden. De voorzieningenrechter achtte daarom het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.
Verweerder had verzocht de advocaat van verzoekers te veroordelen in de proceskosten wegens vermeend misbruik van procesrecht, omdat de advocaat mogelijk niet bepaaldelijk gevolmachtigd was. De voorzieningenrechter verwierp dit verzoek, stellende dat uit de wet en de praktijk blijkt dat een advocaat vooraf bepaaldelijk gevolmachtigd kan zijn en dat er geen aanwijzingen waren voor misbruik.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om proceskostenveroordeling af en verklaarde zowel het verzoek om voorlopige voorziening als het beroep niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening en beroep worden niet-ontvankelijk verklaard; verzoek tot proceskostenveroordeling wordt afgewezen.