ECLI:NL:RBSGR:2004:AR6875
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in schrijnend vreemdelingengeval
Verzoekster, een minderjarige van Bosnische nationaliteit, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning onder medische behandeling ingediend die werd afgewezen wegens het niet betalen van leges. Na bezwaar en hernieuwde behandeling bleef de aanvraag afgewezen. Verzoekster stelde dat haar gezondheidstoestand en persoonlijke omstandigheden een schrijnend geval vormden, waarbij zij niet in staat zou zijn te reizen en terugkeer naar Bosnië onaanvaardbaar was.
De voorzieningenrechter toetste of verweerder terecht de schorsende werking van het bezwaar had onthouden en of de hardheidsclausule van artikel 3.71, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 toegepast had moeten worden. Verweerder maakte onderscheid tussen personen die een 14-1 brief tijdens lopende procedures hadden ingediend en uitgeprocedeerden die na afloop een dergelijke brief schreven, waarbij alleen bij laatstgenoemden discretionaire bevoegdheid werd toegepast.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder in redelijkheid kon besluiten geen hardheidsclausule toe te passen, maar dat de beoordeling van de schrijnende omstandigheden zoals in de 14-1 brief beschreven nog niet volwaardig had plaatsgevonden. Daarom werd een voorlopige voorziening getroffen die uitzetting opschortte tot het bezwaar was beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van verzoekster.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schorst de uitzetting van verzoekster tot het bezwaar is beslist.