ECLI:NL:RBSGR:2004:AR4513
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep en voorlopige voorziening inzake uitzetting vreemdeling naar DRC
Verzoekster, een vrouw met een minderjarig kind afkomstig uit de Democratische Republiek Congo (DRC), diende meerdere aanvragen in voor een verblijfsvergunning, die allen werden afgewezen. Na een eerdere afwijzing vertrok zij uit Nederland, vroeg asiel aan in Groot-Brittannië, maar werd op grond van een Dublinclaim teruggedragen naar Nederland. Bij de laatste aanvraag werd eveneens negatief beslist, waarna uitzetting naar de DRC werd gepland.
Verzoekster stelde dat de veiligheidssituatie in de DRC ernstig was verslechterd en dat zij bij uitzetting met een EU-document een reëel risico liep op schending van artikel 3 EVRM Pro. Zij overhandigde diverse rapporten en nieuwsberichten ter onderbouwing. Verweerder voerde aan dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren en dat de wijze van uitzetting niet in deze procedure aan de orde kon komen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de wijze van uitzetting slechts in een aparte bezwaarprocedure tegen de feitelijke uitzetting kan worden beoordeeld, tenzij er sprake is van een onvermijdelijk risico bij elke mogelijke verwijdering. Omdat verzoekster ook op eigen gelegenheid kon vertrekken en terugkeer met een laissez-passer mogelijk was, kon de wijze van verwijdering niet in deze procedure worden getoetst.
Verder werd geoordeeld dat de algemene verslechtering van de veiligheidssituatie in de DRC geen nieuwe feiten of omstandigheden vormde die heroverweging van eerdere, onherroepelijke besluiten rechtvaardigde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen.