ECLI:NL:RBSGR:2004:AR4323
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting wegens mvv-vereiste en ongewenstverklaring
Verzoeker, een Pakistaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor verlening van een verblijfsvergunning onder het mvv-vereiste, welke werd afgewezen. Tevens werd verzoeker ongewenst verklaard op grond van een strafrechtelijke veroordeling. Verzoeker maakte bezwaar tegen beide besluiten en verzocht om een voorlopige voorziening die uitzetting zou verbieden totdat op bezwaar was beslist.
De rechtbank oordeelde dat het mvv-vereiste terecht was toegepast, mede omdat de eerdere vergunning uit 1999 niet op de juiste wijze aan verzoeker was bekendgemaakt en de nieuwe Vreemdelingenwet 2000 pas in 2001 in werking trad. De belangenafweging van verweerder, waarbij het gezinsleven van verzoeker met zijn dochter werd betrokken, was echter onvolledig en onvoldoende concreet, waardoor twijfel bestond aan de rechtmatigheid van de besluiten.
De rechtbank stelde vast dat verzoeker een spoedeisend belang had bij de voorziening vanwege het belang bij gezinsleven en de dreiging van uitzetting na detentie. Verweerder werd daarom verboden verzoeker uit Nederland te verwijderen zolang niet op de bezwaarschriften was beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd de Staat der Nederlanden aangewezen voor vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op zijn bezwaarschriften is beslist vanwege twijfel aan de rechtmatigheid van de besluiten.