ECLI:NL:RBSGR:2004:AR3556
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering visum kort verblijf wegens onvoldoende aannemelijkheid verblijfsdoel en openbare orde
Eiseressen, Libanese nationaliteit, vroegen een visum voor kort verblijf aan om familiebezoek te brengen aan hun zoon/broer in Nederland. De Minister van Buitenlandse Zaken weigerde deze visa omdat eiseressen het doel van hun verblijf onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt en er bezwaren waren op grond van openbare orde en nationale veiligheid.
De rechtbank overwoog dat verweerder in redelijkheid mocht aannemen dat eiseressen een langer verblijf dan drie maanden beoogden, wat niet mogelijk is met een visum kort verblijf. De eerdere afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en tegenstrijdige medische verklaringen versterkten de twijfel over het verblijfsdoel. Tevens ontbraken voldoende economische en sociale bindingen met het land van herkomst die een tijdige terugkeer zouden waarborgen.
Eiseressen voerden aan dat weigering van het visum een schending van artikel 8 EVRM Pro (recht op familie- en gezinsleven) betekende. De rechtbank stelde vast dat bescherming onder artikel 8 EVRM Pro alleen geldt bij bijzondere afhankelijkheidsrelaties tussen meerderjarigen, welke niet waren aangetoond.
Daarom wees de rechtbank het beroep af en oordeelde dat de bestreden besluiten in stand konden blijven. Er was geen aanleiding tot proceskostenveroordeling of schadevergoeding. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.