ECLI:NL:RBSGR:2004:AR3407

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
24 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/39486
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 Vw 2000Art. 8:64 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring vreemdeling wegens gezondheidsproblemen

Eiser is op 31 augustus 2004 in bewaring gesteld en opgenomen in het penitentiair ziekenhuis Scheveningen vanwege gezondheidsproblemen. Hij werd tweemaal opgeroepen voor verhoor, maar kon vanwege zijn toestand niet worden vervoerd. Zijn gemachtigde sprak namens hem tijdens de zitting.

De rechtbank constateert dat eiser niet tijdig is gehoord, wat een schending is van artikel 94, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Bij de belangenafweging weegt de rechtbank het belang van eiser bij naleving van dit voorschrift af tegen het belang van verweerder bij voortzetting van de bewaring.

De rechtbank oordeelt dat het niet tijdig kunnen horen van eiser binnen zijn risicosfeer valt en niet aan verweerder of de rechtbank te wijten is. Bovendien beschikt eiser niet over een geldig identiteitsbewijs, vaste verblijfplaats of voldoende middelen van bestaan. De Dublin-claim voor Portugal werd negatief beoordeeld en een laissez-passer-aanvraag voor Egypte is ingediend.

Daarom is de bewaring niet onrechtmatig en wordt het beroep ongegrond verklaard. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector Bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
zitting houdende te Dordrecht
Reg.nr : AWB 04/39486
Uitspraak in de zaak van
A, eiser,
gemachtigde: mr. W.B. Teunis, advocaat te ´s-Gravenhage,
tegen
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, verweerder,
gemachtigde: G.D. Tjou Tam Sin, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1. Op 2 september 2004 is de rechtbank, door middel van een kennisgeving van verweerder ex artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), ervan in kennis gesteld dat verweerder eiser op 31 augustus 2004 in bewaring heeft gesteld.
2. De zaak is op 9 september 2004 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.
Eiser is ter zitting verschenen bij gemachtigde.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
De rechtbank heeft op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek ter zitting geschorst teneinde eiser de gelegenheid te bieden alsnog in persoon te worden gehoord. Verweerder is daarbij opgedragen nadere inlichtingen te verschaffen over de reden van opname van eiser in het Penitentiair Ziekenhuis op 7 september 2004.
Op 17 september 2004 is de zaak behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer en heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek opnieuw wordt aangevangen.
Eiser is - na voorafgaand bericht van de Eerste Geneeskundige van 16 september 2004, dat vervoer van eiser naar de rechtbank om medische redenen voorlopig niet verantwoord is, en telefonische navraag door de rechtbank bij het Penitentiair Ziekenhuis - niet ter zitting verschenen.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Gelet op het bepaalde in artikel 94, eerste lid, laatste volzin, van de Vw 2000 staat tevens ter beoordeling of er aanleiding is eiser schadevergoeding toe te kennen.
2. Namens eiser is - kort weergegeven - in beroep naar voren gebracht, dat eiser een verblijfsvergunning in Portugal heeft en derhalve - weliswaar in goede gezondheid - zo spoedig mogelijk kan worden uitgezet naar Portugal.
3. De rechtbank acht het beroep ongegrond en komt daartoe op grond van de navolgende overwegingen.
Eiser is na enkele dagen niet te hebben gegeten en na het spugen van bloed op 7 september 2004 opgenomen in het Penitentiair Ziekenhuis Scheveningen. Eiser is tweemaal opgeroepen voor verhoor, doch was, blijkens navraag in het ziekenhuis, beide keren gezien zijn gezondheidstoestand niet in staat te worden vervoerd.
De behandelend geneeskundigen weigeren verder inlichtingen te geven over de reden van eisers verblijf in het ziekenhuis of over de te verwachten duur van zijn opname. Eisers gemachtigde heeft tijdens de zitting van 9 september 2004 namens hem het woord gevoerd.
De rechtbank stelt vast dat eiser zelf niet tijdig is gehoord en dat daarmee het bepaalde in artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000 is geschonden. Ten aanzien van de vraag welke gevolgen daaraan verbonden moeten worden dient eisers belang bij naleving van dat voorschrift en/of opheffing van de bewaring als reactie op schending van dat voorschrift te worden afgewogen tegen verweerders belang bij het voortduren der bewaring. De rechtbank is van oordeel dat die afweging in het voordeel van verweerder moet uitvallen. Immers dat eiser niet tijdig kon worden gehoord is een omstandigheid die noch verweerder noch de rechtbank te verwijten valt, maar valt binnen de risicosfeer van eiser. Daartegenover staat dat eiser niet over een geldig identiteitsbewijs beschikte, hier ten lande niet over een vaste woon- of verblijfplaats beschikte, eerder niet rechtmatig in Nederland heeft verbleven en niet over voldoende middelen van bestaan beschikt.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen doel treft. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de op 6 september 2004 bij Portugal gelegde Dublin-claim op 9 september 2004 negatief is bevonden en dat er op 16 september 2004 een laissez-passer-aanvraag voor Egypte is verzonden.
4. Ook overigens is niet gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van eiser in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten. Er bestaat derhalve geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.
5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, Awb.
6. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.
III. BESLISSING
De rechtbank 's-Gravenhage:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gegeven door mr. A.P. Hameete, rechter, en door deze en mr. R.A. Badal, griffier, ondertekend.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op: 24 september 2004
Afschrift verzonden op: 24 september 2004
RECHTSMIDDEL
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.
Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden.