ECLI:NL:RBSGR:2004:AQ6898
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning en uitstel van vertrek in vreemdelingenrecht
Eiser en eiseres, beiden van Iraakse nationaliteit, hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie betreffende intrekking van verblijfsvergunningen en uitstel van vertrek. Eiser had een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) die werd ingetrokken, en eiseres had een aanvraag om toelating als vluchteling die werd afgewezen. Tijdens de bezwaarprocedures werd aan beiden uitstel van vertrek verleend, dat later werd ingetrokken.
De rechtbank beoordeelde onder meer de rechtmatigheid van de intrekking van het uitstel van vertrek en de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunningen. De rechtbank oordeelde dat het categoriale beschermingsbeleid ten aanzien van Centraal-Irakezen terecht was beëindigd en dat de verleende verblijfsvergunningen terecht geen eerdere ingangsdatum kregen. Wel werd geoordeeld dat het besluit tot intrekking van het uitstel van vertrek onvoldoende was gemotiveerd en daarom vernietigd.
Verder werd vastgesteld dat eiseres door het opbouwen van drie jaar relevant verblijf recht heeft op een verblijfsvergunning regulier op grond van het driejarenbeleid, waardoor zij geen belang meer heeft bij het bezwaar tegen intrekking van het uitstel van vertrek. De overige beroepen werden ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van het uitstel van vertrek wordt vernietigd; overige beroepen worden ongegrond verklaard.