ECLI:NL:RBSGR:2004:AQ6557
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opheffing derdenbeslag in geschil over nietigheid testament wegens onbetamelijke relatie arts-patiënt
Eiser, een orthopedisch chirurg, werd door gedaagden beschuldigd van het aangaan van een onbetamelijke relatie met [betrokkene] en het misbruiken van haar afhankelijkheid. Gedaagden vorderden in een bodemprocedure de nietigverklaring van het testament van 17 januari 2000, waarin eiser tot enig erfgenaam was benoemd. Ter zekerheid legden zij derdenbeslag op het vermogen van eiser.
Eiser verzocht in kort geding de opheffing van het beslag, stellende dat de vordering van gedaagden ondeugdelijk was en niet voldeed aan de vereisten van artikel 4:953 BW Pro. De voorzieningenrechter toetste of summierlijk kon worden vastgesteld dat de vordering ondeugdelijk was of het beslag onnodig was.
De rechter oordeelde dat gedaagden voldoende belang hadden bij hun vordering en dat niet summierlijk was gebleken dat het testament nietig was. De vraag of eiser tijdens de ziekte van [betrokkene] medisch heeft gehandeld en of zij aan een ziekte is overleden, was onvoldoende duidelijk. Ook de relatie tussen eiser en [betrokkene] bleef onduidelijk. Daarom werd de vordering tot opheffing van het beslag afgewezen en eiser veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het derdenbeslag wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.