ECLI:NL:RBSGR:2004:AQ6511
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting vreemdeling
Eiser, een staatloos Palestijn verblijvend in een opvanglocatie, werd op 24 maart 2004 de toegang tot Nederland geweigerd en vervolgens vrijheidsontnemend vastgehouden op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had eerder een beroep tegen deze maatregel ongegrond verklaard. Bij kennisgeving in juni 2004 werd het voortduren van de vrijheidsontneming bevestigd, waarna eiser beroep instelde tegen deze voortzetting.
Tijdens de zitting bleek dat de Libanese autoriteiten de aanvraag voor een laissez-passer niet in behandeling namen, waardoor de uitzettingsprocedure stagneerde. De rechtbank stelde vast dat verweerder sinds juni 2004 geen nadere uitzettingshandelingen had verricht en dat de verklaring hiervoor onvoldoende was. De rechtbank verwees naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Tekdemir, waarin werd bepaald dat detentie onder artikel 5, eerste lid, onder f, EVRM slechts gerechtvaardigd is zolang uitzettingshandelingen met voortvarendheid worden verricht.
De rechtbank oordeelde dat bij onvoldoende voortvarendheid geen belangenafweging plaatsvindt en dat de detentie derhalve onrechtmatig is. Verweerder had geen bijzondere omstandigheden of zwaarwegende belangen aangevoerd die de voortzetting van de maatregel rechtvaardigden. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en beval de opheffing van de bewaring met ingang van de datum van uitspraak, 1 juli 2004.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de opheffing van de bewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzettingshandelingen.