ECLI:NL:RBSGR:2004:AQ5819
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van onvoldoende aannemelijkheid vluchtelingschap en geloofwaardigheid asielrelaas
Eisers, van Russische nationaliteit en van Joodse afkomst, vroegen een verblijfsvergunning aan op grond van vluchtelingschap vanwege vermeende discriminatie en mishandeling in Rusland. Zij stelden dat zij vervolging en mishandeling door politie en lokale autoriteiten hadden ondervonden, waaronder bedreigingen, vernielingen en arrestaties.
De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van reis- en identiteitsdocumenten niet aan eisers toe te rekenen was, maar dat het ontbreken van bewijs voor hun reisroute en het ontbreken van gedetailleerde, verifieerbare verklaringen wel aan hen kon worden toegerekend. Dit leidde tot twijfel aan de oprechtheid van het asielrelaas.
De rechtbank stelde vast dat de situatie in Rusland niet zodanig was dat eisers zonder meer als vluchtelingen konden worden beschouwd en dat de door eisers gestelde discriminatie niet systematisch en ernstig genoeg was om vluchtelingschap aan te nemen. Ook was er onvoldoende bewijs dat zij bij terugkeer een reëel risico liepen op foltering of onmenselijke behandeling.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aanvragen voor een verblijfsvergunning werden afgewezen. De rechtbank wees tevens het beroep op verblijfsvergunning wegens terugkeer van bijzondere hardheid af, nadat dit beroep door eisers was ingetrokken.
Uitkomst: Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard en de aanvragen voor een verblijfsvergunning worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van vluchtelingschap.