ECLI:NL:RBSGR:2004:AP1278
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Handhaving mvv-vereiste leidt tot discriminatie op grond van nationaliteit volgens EG-Litouwen associatieovereenkomst
Verzoekster, een Litouwse nationaliteit bezittende vrouw, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met de beperking 'verblijf bij partner'. Deze aanvraag werd afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verzoekster was echter tot 30 januari 2003 toegestaan arbeid te verrichten in Nederland en beschikte over een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. De voorzieningenrechter stelde vast dat het mvv-vereiste in deze context leidt tot discriminatie op grond van nationaliteit zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de associatieovereenkomst EG-Litouwen.
De voorzieningenrechter onderzocht of het mvv-vereiste een objectieve rechtvaardigingsgrond had en concludeerde dat dit niet het geval was, mede omdat verzoekster gereguleerd was ingereisd en sindsdien rechtmatig in Nederland verbleef. Het standpunt van verweerder dat het mvv-vereiste gerechtvaardigd was onder de lidstaatvoorwaarden werd verworpen, omdat dit een discretionaire beperking van het non-discriminatiebeginsel inhoudt, wat niet is toegestaan volgens het Hof van Justitie.
Op grond van deze overwegingen werd het verzoek toegewezen, waardoor verzoekster de behandeling van haar bezwaar in Nederland mag afwachten en gedurende die periode mag blijven werken. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt toegewezen, waardoor verzoekster de behandeling van haar bezwaar in Nederland mag afwachten en mag blijven werken.