ECLI:NL:RBSGR:2004:AP0461

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
28 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
09/037090-04
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verklaring van wettige en overtuigende bewijsvoering in een mishandelingzaak met voorwaardelijke gevangenisstraf en reclasseringstoezicht

In deze zaak heeft de Rechtbank 's-Gravenhage op 28 mei 2004 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die beschuldigd werd van meermalen mishandeling van zijn vriendin. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zijn vriendin in een periode van enkele maanden op brute en vernederende wijze heeft mishandeld. Dit omvatte onder andere het dichtknijpen van haar keel, het slaan van haar hoofd op de tafel, en het slaan en trappen van haar lichaam. De rechtbank oordeelde dat deze handelingen niet alleen letsel en pijn hebben veroorzaakt, maar ook gevoelens van angst bij het slachtoffer. De rechtbank vond het verontrustend dat de verdachte tijdens de zitting geen blijk gaf van inzicht in de ernst van zijn daden.

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden en vijf dagen voorwaardelijk. Dit voorwaardelijke deel is onderworpen aan de voorwaarde dat de verdachte zich onder toezicht van de reclassering stelt, wat kan inhouden dat hij deelneemt aan een behandeling. De rechtbank achtte het noodzakelijk om een voorwaardelijk deel op te leggen om te voorkomen dat de verdachte zich opnieuw schuldig zou maken aan soortgelijke feiten.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van een deel van de tenlastelegging, omdat niet wettig en overtuigend bewezen was dat hij opzet had om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank heeft het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, aangezien de ernstige bezwaren die tot de voorlopige hechtenis leidden niet meer bestonden. De uitspraak is gedaan na een zorgvuldige afweging van de feiten en omstandigheden van de zaak, waarbij ook rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
SECTOR STRAFRECHT
MEERVOUDIGE KAMER
(VERKORT VONNIS)
parketnummer 09/037090-04
rolnummer 0007
's-Gravenhage, 28 mei 2004
De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
[geboorteplaats] [geboortedatum],
[adres]
De terechtzitting.
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 mei 2004.
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.-F. Grégoire, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.
De officier van justitie mr. R.E.I. Steen heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair, 2 en 3 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De telastlegging.
Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.
Vrijspraak.
De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 1 primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. In het bijzonder acht de rechtbank niet bewezen dat bij verdachte het opzet of voorwaardelijk opzet aanwezig was om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen, aangezien verdachte van het feit ter zake waarvan hij in voorlopige hechtenis is gesteld en dat bij dagvaarding aan hem onder 1 primair is telastgelegd, wordt vrijgesproken, zodat de ernstige bezwaren die tot het bevel van de voorlopige hechtenis hebben geleid alsmede tot de voortduring daarvan, thans niet meer bestaan.
De bewijsmiddelen.
P.M.
De bewezenverklaring.
Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 subsidiair, 2 en 3 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.
De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.
Strafmotivering.
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zijn vriendin in een periode van enkele maanden drie keer op brute en vernederende wijze mishandeld door onder meer haar keel dicht te knijpen, haar met haar hoofd op de tafel te slaan, met zijn vuisten op haar gezicht en rug te slaan en tegen haar benen en heup te trappen. Deze mishandelingen hebben niet alleen letsel en pijn, maar ook gevoelens van angst bij het slachtoffer veroorzaakt. De ervaring leert bovendien dat slachtoffers van dit soort feiten nog geruime tijd psychische last daarvan plegen te ondervinden.
Dit zijn ernstige feiten. Het verontrust de rechtbank dan ook dat verdachte er ter zitting geen enkele blijk van heeft gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien.
Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden, zij het dat een substantieel deel daarvan voorwaardelijk aan verdachte zal worden opgelegd. In de persoon van verdachte ziet de rechtbank aanleiding aan dit voorwaardelijk deel de voorwaarde te verbinden dat verdachte zich onder toezicht van de reclassering stelt, hetgeen ook kan inhouden dat verdachte zal deelnemen aan een voor hem door de reclassering geschikt bevonden behandeling.
Het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf strekt er voorts toe verdachte ervan te weerhouden dat hij zich opnieuw aan soortgelijke strafbare feiten schuldig zal maken.
De toepasselijke wetsartikelen.
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing.
De rechtbank,
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 primair telastgelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 subsidiair, 2 en 3 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
1 subsidiair, 2 en 3: mishandeling, meermalen gepleegd;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
- een gevangenisstraf voor de duur van 8 MAANDEN;
bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 4 MAANDEN en 5 DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarde:
- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht, ook indien dat inhoudt deelname aan een behandeling;
geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;
bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
in verzekering gesteld op: 03 februari 2004;
in voorlopige hechtenis gesteld op: 06 februari 2004;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis en gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mrs R.A.C. van Rossum, voorzitter,
G.P. van de Beek en W.A.G.J.W. Ferenschild, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Gest, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 mei 2004.