ECLI:NL:RBSGR:2004:AO8595
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.M.J.A. Dassen
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige wijze van tenuitvoerlegging vreemdelingenbewaring leidt tot schadevergoeding
De vreemdeling is op 12 april 2004 in vreemdelingenbewaring gesteld na een strafrechtelijke detentie die werd onderbroken wegens overschrijding van de maximale verblijfsduur in een politiecel. De rechtbank beoordeelde dat de voortzetting van de bewaring in een politiecel van 12 tot 16 april 2004 onrechtmatig was omdat de wijziging van de grondslag van de vrijheidsontneming niet leidde tot een nieuwe tiendagentermijn. Hierdoor was de wijze van tenuitvoerlegging in strijd met artikel 5 EVRM Pro.
De rechtbank stelde vast dat de bewaring gegrond was op meerdere onbestreden gronden, waaronder het ontbreken van rechtmatig verblijf, het ontbreken van een geldig identiteitsbewijs, en het vermoeden dat de vreemdeling zich aan uitzetting zou onttrekken. Hoewel de vreemdeling bezwaar maakte tegen de bewaring, oordeelde de rechtbank dat er wel degelijk zicht was op uitzetting en dat de maatregel niet uitsluitend diende om de vreemdeling tijdens een strafrechtelijke detentie te laten verblijven.
Het beroep van de vreemdeling tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring van 12 tot 16 april 2004 werd gegrond verklaard, terwijl een tweede beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens gebrek aan belang. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €100,00 en veroordeelde de Staat tot vergoeding van de proceskosten van €644,00. De uitspraak werd gedaan door rechter L.M.J.A. Dassen op 26 april 2004.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de wijze van tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring onrechtmatig en wijst een schadevergoeding van €100 toe.