ECLI:NL:RBSGR:2004:AO7595
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken van gronden tegen vreemdelingenbesluit
Eiser, een Soedanese vreemdeling, diende op 11 september 2000 een aanvraag in voor toelating als vluchteling. Deze aanvraag werd op 22 november 2001 door verweerder, de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, afgewezen. Eiser stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de zitting op 21 januari 2004 was eiser niet aanwezig, maar werd hij vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank moest beoordelen of het beroepschrift voldeed aan de eisen van artikel 6:5 Awb Pro, dat vereist dat een beroepschrift gronden bevat die reageren op de motivering van het bestreden besluit.
De rechtbank oordeelde dat een loutere verwijzing naar de eerder ingediende zienswijze onvoldoende is, tenzij uit die zienswijze zonder meer blijkt op welke gronden het beroep is gebaseerd. In deze zaak was dat niet het geval. Verweerder had de in de zienswijze aangevoerde argumenten uitgebreid gemotiveerd weerlegd, maar eiser had geen concrete gronden in het beroep aangevoerd, ondanks de gelegenheid daartoe.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Tevens werd geen veroordeling in de proceskosten opgelegd. De uitspraak werd op 20 februari 2004 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden in het beroepschrift.